ECLI:NL:PHR:2010:BL6678

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/12188
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 300 (oud) SrArt. 441 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel van verzuim in strafoplegging wegens onjuiste wetsvermelding en vaststelling overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf, waarvan 21 dagen voorwaardelijk, wegens mishandeling van zijn kind. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld, waarbij twee middelen werden aangevoerd.

Het eerste middel betrof de overschrijding van de inzendtermijn van het cassatieberoep; de stukken kwamen meer dan een jaar na het instellen van het beroep aan bij de Hoge Raad. De Hoge Raad stelde vast dat ook de tweejaarstermijn voor uitspraak was verstreken, maar vond dat gezien de lichte straf volstaan kon worden met de constatering van deze overschrijding.

Het tweede middel betrof de toepassing door het Hof van artikel 300 Sr Pro in zijn gewijzigde vorm, terwijl het oude artikel 300 Sr Pro van toepassing had moeten zijn, omdat de wijziging na het plegen van het feit in werking trad. Het Hof had nagelaten dit te motiveren. De Hoge Raad herstelde dit verzuim door het oude artikel 300 Sr Pro als toepasselijk te vermelden.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor zover het artikel 300 Sr Pro betreft en verwierp het cassatieberoep voor het overige. Er werden geen gronden gevonden om ambtshalve te vernietigen.

Uitkomst: De Hoge Raad herstelt de wetsvermelding en stelt de overschrijding van de redelijke termijn vast zonder het cassatieberoep verder te behandelen.

Conclusie

Nr. 07/12188
Mr. Vegter
Zitting: 2 maart 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "Mishandeling, begaan tegen zijn kind" veroordeeld tot 30 dagen gevangenisstraf, waarvan 21 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van één jaar, met aftrek.
2. Namens de verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
4. Het middel is terecht voorgesteld. Namens verdachte is op 21 augustus 2007 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn eerst op 26 augustus 2008 bij de Hoge Raad ingekomen, meer dan een jaar na het instellen van het cassatieberoep.
5. Naar aanleiding van het middel merk ik voorts op dat de Hoge Raad ook niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Die twee-jaar-termijn is immers op 21 augustus 2009 verlopen.
6. Gelet echter op de hoogte van de opgelegde straf meen ik dat de Hoge Raad kan volstaan met de vaststelling van de overschrijding.
7. Het tweede middel klaagt dat het Hof art. 300 Sr Pro heeft toegepast, terwijl dit artikel na het plegen van het feit ten aanzien van de strafmaat is gewijzigd, in de zin dat de maximumstraf is verhoogd. Het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom het dit nieuwe artikel 300 Sr Pro heeft toegepast.
8. In zijn arrest heeft het Hof onder de toepasselijke wettelijke artikelen onder meer art. 300 Sr Pro aangehaald. Uit het niet vermelden van de toevoeging "(oud)" leidt de steller van het middel af dat het Hof derhalve het op dat moment geldende art. 300 Sr Pro heeft toegepast, welk artikel ingevolge de wijziging bij de Wet herijking strafmaxima van 22 december 2005, Stb. 2006, 11, een hoger strafmaximum bevat dan art. 300 (oud) Sr, namelijk maximaal drie jaar gevangenisstraf in plaats van twee jaar gevangenisstraf. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof had moeten motiveren waarom het aanleiding heeft gevonden de nieuwe bepaling toe te passen.
9. Het middel is terecht voorgesteld. Voor de opgelegde straf is dit niet van betekenis nu de door het Hof opgelegde straf van 30 dagen gevangenisstraf waarvan 21 dagen voorwaardelijk, ruim onder het strafmaximum van art. 300 (oud) Sr ligt.(1)
10. Overigens meen ik dat het Hof bij de oplegging van de straf niet is uitgegaan van het inmiddels hogere strafmaximum. De wet waarbij het nieuwe strafmaximum (drie in plaats van twee jaar) is gesteld is op 1 februari 2006 in werking getreden. Het vonnis van de Politierechter dateert van 25 november 2003. De Politierechter heeft de straf dus gebaseerd op het oude strafmaximum van twee jaar. Uit de omstandigheid dat het Hof dezelfde straf heeft opgelegd als de Politierechter, zij het met een kortere proeftijd, welke straf er feitelijk op neer komt dat verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf meer hoeft te ondergaan kan worden afgeleid dat het Hof bij de strafoplegging geen hoger strafmaximum voor ogen stond. De Hoge Raad kan met toepassing van artikel 441 Sv Pro volstaan met de aanhaling van artikel 300 Sr Pro te verbeteren.(2)
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor zover onder de toepasselijke wettelijke voorschriften artikel 300 Sr Pro is vermeld, tot het alsnog vermelden van artikel 300 (oud) Sr als toepasselijk wettelijk voorschrift en tot vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 13 mei 1986, NJ 1987, 277. Het Hof verwees in de strafmotivering naar de wetgeving waarbij het strafmaximum na het plegen van het feit was verhoogd. Mits de rechter binnen de grenzen van het ten tijde van het plegen van delict geldende strafmaximum blijft, is dit niet in strijd met enige rechtsregel.
2 Zie bijvoorbeeld HR 17 februari 1998, NJ 1998, 447.