1 Zie voor de feiten en het procesverloop tot en met het eerste cassatieberoep de beschikking van de Hoge Raad van 6 juni 2008, LJN BC 3354 (NJ 2008, 323). Zie voor het procesverloop na cassatie de beschikking van het hof Amsterdam van 27 januari 2009.
2 Het cassatieverzoekschrift is op 27 april 2009 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
3 De bestreden beschikking bevat twee rov. 2.4.5 en ook tweemaal een rov. 2.4.6. Het onderdeel is gericht tegen de tweede rov. 2.4.6. Teneinde verwarring zoveel mogelijk tegen te gaan, verwijs ik nu en in het hiernavolgende naar de in de beschikking laatstvermelde rov. 2.4.5 en 2.4.6 als 2.4.7 en 2.4.8.
4 Ontleend aan mijn conclusie voor HR 29 juni 2007, LJN BA3030 (NJ 2007, 354), onder 2.4 t/m 2.7 en voorts geactualiseerd.
5 B. Winters, De procedure na cassatie en verwijzing in civiele zaken, diss., Zwolle 1992; B. Winters, Verwijzing na cassatie in civiele zaken, Advocatenblad 2000/17, p. 690-694; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 256 en 258; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 199 e.v.; Burgerlijke Rechtsvordering, Korthals Altes, art. 424, aant. 1; Hugenholtz/Heemskerk (2009), nr. 166; B. Winters 2008, (T&C Rv), art. 424, aant. 1-5; Snijders/Wendels, Civiel appel (2009), nr. 280 en W.D.H. Asser, Civiele Cassatie (2003), H. 9 (p. 109 t/m 113) en de bij al deze schrijvers genoemde jurisprudentie.
6 HR 16 december 1988, LJN AD0542 (NJ 1989, 180); laatstelijk HR 19 juni 2009, LJN BH7843 (NJ 2009, 291). Zie voorts Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 257; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 201; Winters, t.a.p., p. 691; Burgerlijke Rechtsvordering, art. 424, aant. 2.
7 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 176, p. 370; HR 15 november 2002, LJN AE8463 (NJ 2004, 2).
8 HR 27 november 1992, LJN ZB1223 (NJ 1993, 287) en recent HR 5 juni 2009, LJN BH5410 (NJ 2009, 257); Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 257; Winters, a.w., § 2.5.5, p. 141-147; Burgerlijke Rechtsvordering, art. 424, aant. 2.
9 Zie HR 2 mei 1997, LJN ZC2362 (NJ 1998, 237 m.nt. HJS), rov. 4.1 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 257.
10 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 258.
11 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 200, p. 409-410; t.a.p. worden aldus twee uitzonderingen geconstateerd: van de rechter wordt niet gevraagd recht te doen op een inmiddels imaginair geworden feitencomplex (HR 22 oktober 1999, LJN ZC2998 (NJ 1999, 799), en de eiser na cassatie mag het bedrag van de schadevordering verhogen indien partijen tevoren slechts over de aansprakelijkheidsvraag hebben gedebatteerd (HR 2 oktober 1998, LJN ZC2721 (NJ 1999, 683 m.nt. JBMV).
12 HR 19 december 1980, LJN AB8542 (NJ 1982, 65 m.nt. EAAL) en recenter HR 29 juni 2007, LJN BA3030 (NJ 2007, 354). Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 258; Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 200; Burgerlijke Rechtsvordering, art. 424, aant. 3.
13 Pleitnota mr. Bitter voor de zitting van 15 juni 2006 (eerste aanleg), onder 2.3. Zie voor een juridisch kader van de afwijzingsgronden voor het voorlopig getuigenverhoor mijn conclusie van 18 december 2009 in de zaak 08/03241 en mijn conclusie naar aanleiding van het eerdere cassatieberoep in de onderhavige zaak voor HR 6 juni 2008, LJN BC 3354 (NJ 2008, 323).
14 Proces-verbaal van de zitting van 18 november 2008, p. 3. Kennelijk neemt de Staat thans ook het standpunt in dat [verzoeker] toch belang heeft bij zijn verzoek, alleen is dat belang van minder gewicht dan dat van de Staat. Terzijde merk ik op dat de nadere onderbouwing van het geringe belang van [verzoeker], zoals het hof die in rov. 2.4.2 - 2.4.6 aan zijn oordelen in 2.4.7 en 2.4.8 ten grondslag legt, door de Staat in het geheel niet als zodanig is aangevoerd.
15 Zie hiervóór, onder 2.7 met bijbehorende noot 12.