ECLI:NL:PHR:2010:BL7047
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling partneralimentatie na zelfmoordpoging en gedragsverwijt tussen ex-echtgenoten
In deze zaak gaat het om de partneralimentatie tussen gewezen echtgenoten na hun echtscheiding. De man had een zelfstandig verzoek gedaan om een bijdrage van de vrouw in zijn levensonderhoud, welke zij betwistte met twee verweren: dat zijn gedrag (een zelfmoordpoging door van een balkon te springen) het redelijk maken van een bijdrage door haar uitsloot, en dat zijn gebrek aan verdiencapaciteit het gevolg was van zijn eigen gedrag.
De rechtbank en het hof verwierpen het eerste verweer en stelden vast dat de alimentatieverplichting van de vrouw met ingang van 1 januari 2010 op nihil moest worden gesteld, omdat de man zonder medische beperkingen zelfvoorzienend zou zijn. Het hof erkende dat de sprong van het balkon de vrouw emotioneel had geraakt, maar vond dit gedrag niet van dien aard dat het haar verplichting tot alimentatie kon matigen.
De vrouw voerde in cassatie aan dat het hof ten onrechte het effect van het gedrag van de man op haar onvoldoende had meegewogen en dat het hof onbegrijpelijk had geoordeeld dat zij redelijkerwijs moest bijdragen ondanks zijn gedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de subjectieve beleving van de vrouw niet had gebagatelliseerd en dat het oordeel voldoende was gemotiveerd. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat artikel 1:157 BW Pro geen matigingsbevoegdheid bevat zoals artikel 1:399 BW Pro dat doet voor bloed- en aanverwanten.
Het cassatiemiddel dat de alimentatieverplichting niet op nihil mocht worden gesteld, faalde omdat het hof juist een wijziging op grond van artikel 1:157 lid 3 BW Pro had uitgesproken, wat wettelijk mogelijk is. De conclusie van de Procureur-Generaal was dan ook verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de alimentatieverplichting van de vrouw per 1 januari 2010 op nihil wordt gesteld ondanks de zelfmoordpoging van de man.