ECLI:NL:PHR:2010:BL7226
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Juridische beoordeling van verkrijging en verlies van Nederlanderschap en belastingvrijstellingen bij invoer van diplomatieke voertuigen
Belanghebbende, werkzaam bij het Marokkaanse consulaat in Nederland, voerde in 1993 een BMW in met diplomatieke vrijstelling voor bpm en omzetbelasting. In 2004 legde hij een optieverklaring af en verkreeg op 8 januari 2004 het Nederlanderschap. Kort daarna werd hem naheffing opgelegd wegens vervallen vrijstelling. Belanghebbende deed op 25 februari 2004 afstand van het Nederlanderschap.
Het hof oordeelde dat de verkrijging van het Nederlanderschap definitief was met de bevestiging van de optieverklaring door de burgemeester. De afstand van het Nederlanderschap trad in werking op het moment van afstandsverklaring, zonder terugwerkende kracht. Hierdoor was belanghebbende Nederlander tussen 8 januari en 25 februari 2004.
De zaak omvat tevens een uitgebreide analyse van de voorwaardelijkheid van diplomatieke vrijstellingen van bpm en omzetbelasting. Hoewel de Nederlandse regelgeving de vrijstelling als voorwaardelijk omschrijft, concludeert de conclusie dat de vrijstelling bij invoer onvoorwaardelijk was in 1993. De naheffing was daarom juridisch gegrond omdat het Nederlanderschap op het moment van naheffing reeds was verkregen.
Het geschil over de procedurele aspecten van de aanslagbiljetten en de koppeling van verschillende naheffingsaanslagen werd eveneens besproken, waarbij het hof oordeelde dat belanghebbende slechts beroep had ingesteld tegen één aanslagbiljet. De klachten van belanghebbende in cassatie werden verworpen.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting en bpm wegens vervallen vrijstelling na verkrijging van het Nederlanderschap.