ECLI:NL:PHR:2010:BL7593

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/05130
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FaillissementswetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 288 lid 1 sub b Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-goede trouw bij diefstal

Verzoekster was sinds 8 juni 2009 toegelaten tot een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank Assen heeft op voordracht van de rechter-commissaris de regeling op 20 oktober 2009 beëindigd. Verzoekster ging in hoger beroep bij het hof Leeuwarden, dat op 10 december 2009 het vonnis van de rechtbank bekrachtigde.

Verzoekster stelde in cassatie dat de schuld niet bestond op het moment van aanvraag noch aanvang van de regeling, en dat zij niet kwalijk te nemen viel dat zij een mogelijke strafzaak niet had gemeld. Het hof oordeelde echter dat de schuld was ontstaan door een gepleegd strafbaar feit (diefstal) dat reeds bestond vóór de toelating tot de regeling. De hoogte van de schuld werd pas later vastgesteld.

Het hof vond dat verzoekster niet te goeder trouw was, omdat zij de diefstal had gepleegd en niet uit eigen beweging was gestopt. Bovendien had zij haar werkgever niet geïnformeerd over het strafbare feit en de opgelegde straf. Dit leidde tot het oordeel dat verzoekster niet aan het goede trouw-criterium voldeed, waardoor de schuldsaneringsregeling terecht werd beëindigd.

De Hoge Raad concludeert dat het cassatiemiddel faalt en verwerpt het beroep, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van goede trouw.

Conclusie

09/05130
mr. L. Timmerman
Parket, 12 maart 2010
Conclusie inzake:
[Verzoekster]
Verzoekster tot cassatie
Verkorte conclusie
1.1 Bij vonnis van 20 oktober 2009 heeft de rechtbank Assen op voordracht van de rechter-commissaris de sedert 8 juni 2009 ten aanzien van [verzoekster] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd.
1.2 [Verzoekster] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden.
Het hof heeft de zaak ter zitting van 2 december 2009 inhoudelijk behandeld. Bij arrest van 10 december 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoekster] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.
1.4 Het verzoekschrift bevat een cassatiemiddel dat faalt. Het middel komt op tegen de rechtsoverwegingen 3 tot en met 6 van het arrest van het hof. [verzoekster] voert aan dat de schuld niet bestond op het moment van de aanvraag noch op het moment van het begin van de regeling. Het komt voor - aldus het middel - dat het [verzoekster] niet kwalijk te nemen is dat ze niet heeft gemeld dat haar mogelijk een strafzaak boven het hoofd hing. Bovendien is het volgens het middel maar de vraag of - indien [verzoekster] het wel zou hebben vermeld - de schuldsaneringsregeling niet van de grond zou zijn gekomen.
1.5 Het hof heeft onderzocht of ten aanzien van [verzoekster] er feiten en omstandigheden waren die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. Het hof heeft overwogen dat deze omstandigheden aanwezig zijn. Nog voordat [verzoekster] tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten, was bekend dat door [verzoekster] een strafbaar feit (diefstal) is begaan. Hierdoor is een schuld ontstaan. Zoals [verzoekster] zelf ook aangeeft in haar beroepschrift was de schuld al voor aanvang van de schuldsanering ontstaan, maar is de hoogte pas nadat ze tot de schuldsaneringsregeling was toegelaten in rechte komen vast te staan(2). Voor zover het middel dus klaagt dat de schuld nog niet bestond faalt het dan ook. Ook valt uit het arrest niet af te leiden dat het hof [verzoekster] kwalijk neemt dat zij deze informatie niet vooraf heeft gegeven. Deze klacht mist dus feitelijke grondslag.
1.6 Daarnaast is het niet onbegrijpelijk dat het hof geoordeeld heeft dat indien de rechtbank van de diefstal ten tijde van de aanvraag op de hoogte zou zijn geweest [verzoekster] niet tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou zijn toegelaten. Het hof doelt daar m.i. mee op het vereiste dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaande het verzoekschrift te goede trouw moet zijn geweest. Bij het goede trouw-criterium in art. 288 lid Pro 1, aanhef en sub b Fw gaat het om een gedragsmaatstaf, waaraan concrete gedragingen van de schuldenaar worden getoetst met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Het hof betrekt daarbij de omstandigheid dat [verzoekster] een strafbaar feit heeft begaan waaruit een schuld is ontstaan en dat [verzoekster] niet uit eigen beweging is gestopt met het plegen van de diefstal. Daarnaast geeft het hof nog aan dat [verzoekster] haar huidige werkgever niet heeft ingelicht over het strafbaar feit en de opgelegde straf. Het middel faalt mitsdien geheel.
2. Conclusie
Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Het verzoekschrift is op 18 december 2009 per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad. Een ondertekende schriftelijke versie is op 5 januari 2010 door de griffie ontvangen.
2 Beroepschrift onder 6.