ECLI:NL:PHR:2010:BL7668
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken van schriftuur houdende grieven en mondelinge bezwaren
In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Politierechter wegens het ontbreken van schriftuur houdende grieven en mondelinge bezwaren, zoals vereist op grond van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.
Verdachte was niet verschenen, maar zijn gemachtigde advocaat was wel aanwezig en voerde het woord ter verdediging. Desondanks oordeelde het hof dat de advocaat geen expliciete bezwaren tegen het vonnis had geuit. De Hoge Raad bevestigt dat het proces-verbaal van de terechtzitting de enige bron is voor wat ter zitting is gezegd en dat het hof in redelijkheid heeft geoordeeld dat de bezwaren niet expliciet zijn geuit zoals de wet vereist.
De Hoge Raad benadrukt dat het ontbreken van schriftuur houdende grieven en mondelinge bezwaren de appelrechter de bevoegdheid geeft om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, maar niet verplicht. In dit geval heeft het hof deze bevoegdheid uitgeoefend en dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel van verdachte faalt en het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van schriftuur houdende grieven en mondelinge bezwaren.