ECLI:NL:PHR:2010:BL7697
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schending redelijke termijn bij belastingfraudezaak met strafvermindering
De zaak betreft een belastingfraudezaak waarin verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden door de rechtbank en 21 maanden door het hof. De feiten strekken zich uit van februari 1999 tot april 2003. De procedure kende een langdurige duur, met onder meer een doorzoeking in oktober 2001, inverzekeringstelling in september 2002 en meerdere zittingen tot april 2008.
Het hof stelde dat de redelijke termijn pas begon bij de inverzekeringstelling in september 2002 en oordeelde dat ondanks de lange duur van de procedure geen sprake was van een schending van artikel 6 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onjuist heeft geoordeeld omdat de totale duur van de procedure de redelijke termijn overschrijdt zonder dat bijzondere omstandigheden zijn vastgesteld die dit rechtvaardigen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Tevens vermindert de Hoge Raad de opgelegde straf wegens de overschrijding van de redelijke termijn. De discussie over het aanvangsmoment van de redelijke termijn wordt uitvoerig besproken, waarbij wordt bevestigd dat de doorzoeking op verzoek van Duitse autoriteiten niet als aanvangspunt geldt, maar de inverzekeringstelling wel.
De uitspraak benadrukt het belang van een tijdige berechting en de toepassing van artikel 6 EVRM Pro, waarbij de duur van de procedure zorgvuldig moet worden beoordeeld aan de hand van complexiteit, invloed van partijen en voortvarendheid van de autoriteiten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.