ECLI:NL:PHR:2010:BL8296
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Huurrechtelijke vordering achterstallige huur en ontbinding huurovereenkomst campingkantine
De zaak betreft een huurgeschil tussen de eigenaar van een camping en de huurders van een noodkantine en bungalow op die camping. Na brand van een eerdere kantine werd een tijdelijke voorziening gehuurd, met een overeenkomst voor bepaalde tijd die zou eindigen bij ingebruikname van de nieuw te bouwen kantine. De nieuwbouw is echter nooit gerealiseerd.
De verhuurder vorderde betaling van achterstallige huur en ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanbetaling. De huurders voerden aan dat de verhuurder hen niet had geïnformeerd over de geplande vermindering van het aantal standplaatsen, wat hun omzet negatief beïnvloedde, en stelden dat dit tot vermindering van de huur zou moeten leiden. Het hof wees dit verweer af en kende de vordering toe.
In cassatie betoogden de huurders dat het oude huurrecht van toepassing zou moeten zijn op de overeenkomst en dat het hof ten onrechte het nieuwe huurrecht toepaste. Ook voerden zij aan dat het hof onvoldoende aandacht had besteed aan hun verweer dat sprake was van onvoorziene omstandigheden of dwaling. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het nieuwe huurrecht van toepassing is op na 1 augustus 2003 opeisbare huurtermijnen. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het verweer van de huurders vooral neerkwam op een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie) van de verhuurder en dat het beroep op onvoorziene omstandigheden niet aannemelijk was gemaakt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd.