ECLI:NL:PHR:2010:BL9128

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02637 A
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 433 SvNAArt. 403 (oud) SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid vonnis ondanks procedurele misslag bij verzet in Antilliaanse strafzaak

In deze strafzaak werd verzoeker door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba veroordeeld wegens medeplegen van een opzettelijk strafbaar feit op grond van de Opiumlandsverordening 1960. Verzoeker was in eerste aanleg verstek verleend en kwam vervolgens in verzet. De verzetzaak werd behandeld alsof het verstek niet had plaatsgevonden, conform artikel 433 SvNA Pro.

Het cassatiemiddel klaagde dat het hof ten onrechte het vonnis mede baseerde op het onderzoek van de verstekzitting, terwijl volgens de wet alleen het nieuwe onderzoek in verzet als grondslag mag dienen. De Hoge Raad oordeelde dat dit een kennelijke misslag betrof die met een juiste lezing van het vonnis kon worden hersteld. Bovendien was niet aannemelijk dat verzoeker hierdoor in zijn belangen was geschaad.

De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde daarmee de geldigheid van het vonnis. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging. De procedurele afwijking leidde niet tot nietigheid van het vonnis.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde de veroordeling ondanks een procedurele misslag bij de behandeling van het verzet.

Conclusie

Nr. 09/02637 A
Mr. Hofstee
Zitting: 23 maart 2010
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Verzoeker is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba (verder te noemen: het Hof) wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro A van de Opiumlandsverordening 1960" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte het vonnis mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 november 2008 heeft gewezen.
4. In cassatie kan van de volgende gang van zaken worden uitgegaan. Tegen verzoeker is ter terechtzitting van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen (voortaan: het GEA) van 10 november 2008 verstek verleend. Verzoeker is vervolgens op 13 november 2008 in verzet gekomen. Blijkens het strafvonnis (verzet) van het GEA van 9 januari 2009 is de verzetzaak op diezelfde dag behandeld in aanwezigheid van verzoeker. Vervolgens is het hoger beroep behandeld ter terechtzitting van het Hof van 14 mei 2009, wederom in tegenwoordigheid van verzoeker. Het bestreden strafvonnis van het hof houdt in, voor zover hier van belang:
"Het onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 10 november 2008 en 9 januari 2009, zoals daarvan blijkt uit de processenverbaal van die terechtzittingen, alsmede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2009 op Curaçao."
5. In Nederland is het rechtsmiddel van verzet enige jaren geleden vervallen, maar zo niet in de Nederlandse Antillen. Nog altijd kent het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen (SvNA) de mogelijkheid van verzet als gewoon rechtsmiddel tegen einduitspraken in verstekzaken. In dat verband bepaalt art. 433 SvNA Pro - voor zover hier van belang - dat behandeling van een zaak in verzet plaatsvindt "als ware het rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan". De geciteerde zinsnede kwam letterlijk gelijkluidend voor in art. 403 (oud) Sv en brengt met zich dat een geheel nieuwe behandeling ter terechtzitting dient plaats te vinden.(1) In de onderhavige zaak is dit blijkens het strafvonnis (verzet) van het GEA en het daarbij behorende proces-verbaal van de zitting geschied, met inachtneming van het bepaalde in art. 433 SvNA Pro.
6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat gelet op art. 433 SvNA Pro moet worden aangenomen dat het verzet op de zitting van 9 januari 2009 is behandeld "als ware het rechtsgeding bij verstek niet voorafgegaan", dat derhalve alleen dat nieuwe onderzoek ter terechtzitting grondslag van de beslissing kan zijn (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) en dat het Hof (dus) ten onrechte mede naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verstekzitting van 10 november 2008 vonnis heeft gewezen.
7. Het middel klaagt daarover terecht. Tot cassatie behoeft dat echter niet te leiden nu kan worden aangenomen dat sprake is van een kennelijke misslag en het strafvonnis met verbetering van die misslag kan worden gelezen. Ik sluit bepaald niet uit dat het Hof slechts bedoeld heeft tot uitdrukking te brengen dat het tevens ervan heeft kennis genomen dat sprake is geweest van een achterliggende verstekprocedure. Bovendien valt, mede gelet op het feit dat (de toelichting op) het middel daarover niets inhoudt, niet in te zien dat en waarom verzoeker door die misslag in enig belang is geschaad. Ook daarom is er geen reden om aan genoemd verzuim nietigheid van het strafvonnis van het Hof te verbinden.(2)
8. Het middel is tevergeefs voorgesteld en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Zie over art. 403 (oud) Sv (zoals dat luidde tot 31 mei 2000): G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, vijfde druk, p. 737; A.J. Blok en L.Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, deel II, 1925, p. 340; en H.G.M. Krabbe, Verzet en hoger beroep, 1983, p. 108 e.v.
2 Vgl. HR 26 september 2000, LJN ZD1970, NJ 2000, 701 en HR 9 januari 2001, LJN AA9480, NJ 2001, 125.