1 Zie rov. 3.1 tot en met 3.5 van de bestreden beschikking van 17 maart 2009.
2 Nadien is de OTS niet meer verlengd. Zie verzoekschrift in cassatie sub 6 en verweerschrift in cassatie sub 1.1.
3 Zie het inleidende verzoekschrift van BJZ d.d. 13 augustus 2008, p. 5.
4 De moeder was, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Zie rov. 2.3.
5 Mr. P. Garretsen heeft namens de vader op donderdag 17 juni 2009, de laatst mogelijke dag voor indiening, per fax een getekend exemplaar van het cassatieverzoekschrift naar de griffie van de Hoge Raad gezonden. Het origineel is op 18 juni 2009 bij de griffie binnengekomen.
6 Zie over de omgangs-OTS Asser/De Boer, Personen- en familierecht, 2006, nrs. 845 en 1012; J.E. Doek, losbl. Personen- en Familierecht, Titel 14, Afd. 4, art. 254, aant. 2 sub g.
7 Het middel benadert dit in het kader van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. De ontvankelijkheid van verzoeker is in deze zaak - anders dan wanneer de reeds uitgewerkte OTS-beschikking voorwerp is van het cassatieberoep, vgl. bijvoorbeeld HR 19 maart 2010, LJN: BL0589 - geen probleem.
8 Zie par. 1.8 tot en met 1.11 van het cassatieverweerschrift.
9 Ook artikel 1:263b BW verwijst naar deze stichting. De bepalingen zijn in deze zin gewijzigd bij de invoering van de Wet op de Jeugdzorg van 22 april 2004, Stb. 2004, 306.
10 Zie Memorie van Antwoord, Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23 003, nr. 5, blz. 8.
11 Zie Nota van Wijziging, Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, nr. 6, blz. 2. Een en ander heeft geleid tot de wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255.
12 MvA II, supra noot 9, blz. 8.
13 Artikel 1:377a BW is ingevoerd bij Wet van 6 april 1995 tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen, Stb. 1995, 240. Per 1 maart 2009 is artikel 1:377a BW aangepast door de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding (Wet van 27 november 2008, Stb. 2008, 500 en Stb 2009, 56). Daarbij is artikel 1:377f BW vervallen, omdat hetgeen daarin was geregeld ook in artikel 1:377a BW werd ondergebracht. Kennelijk abusievelijk is toen de verwijzing naar artikel 1:377f BW in artikel 1:263b lid 3 BW niet aangepast.
14 "Zodra de ondertoezichtstelling is geëindigd, geldt de op grond van het eerste lid vastgestelde regeling als een regeling als bedoeld in artikel 253a, tweede lid, onder a, dan wel artikel 377a, tweede lid."
15 Zo ook J.E. Doek, losbl. Personen- en Familierecht, Titel 14, Afd. 4, art. 263b, aant 5; T&C Personen- en Familierecht (A.L.M. Broekhuijsen-Molenaar), art. 263b, aant. 3.
16 Zie bijv. Asser-De Boer, nr. 1002, laatste twee alinea's, met verwijzing naar rechtspraak, en nr 1003.
17 Bijvoorbeeld EHRM 27 juni 2000, Nuutinen v. Finland, RJD 2000-VII, p. 49, nr. 128: "(...) any obligation to apply coercion in this area must be limited since the interests as well as the rights and freedoms of all concerned must be taken into account, and more particularly the best interests of the child and his or her rights under Article 8 of the Convention. Where contacts with the parent might appear to threaten those interests or rights, it is for the national authorities to strike a fair balance between them." Vgl. voorts Asser/De Boer, nr. 1012 alsmede HR 29 juni 2001, NJ 2001, 598 m.nt. S.F.M. Wortmann (i.h.b. sub 4).
18 Zie rov. 4.2-4.3 alsmede het proces-verbaal van de zitting bij het hof d.d. 19 februari 2009.