ECLI:NL:PHR:2010:BL9543
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vervaltermijnen bij partneralimentatie na twaalf jaar
Partijen waren gehuwd en gescheiden waarbij de man verplicht was partneralimentatie te betalen aan de vrouw. De alimentatieplicht verviel van rechtswege na twaalf jaar volgens art. 1:157 lid 4 BW Pro, maar de man betaalde door tot drie maanden daarna. De vrouw verzocht om verlenging van de termijn binnen drie maanden na feitelijke beëindiging van de betalingen.
De rechtbank oordeelde dat de termijn van drie maanden geen vervaltermijn is en verklaarde het verzoek ontvankelijk. Het hof vernietigde dit en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat de termijn van drie maanden een dwingende vervaltermijn is die ambtshalve moet worden toegepast.
De Hoge Raad stelde vast dat de twaalfjarige termijn en de drie maanden termijn vervaltermijnen zijn. Echter, indien na het verstrijken van de twaalf jaar sprake is van een stilzwijgende overeenkomst tot voortzetting van alimentatie, begint de drie maanden termijn pas te lopen bij de feitelijke beëindiging van de betalingen. In dit geval was sprake van een stilzwijgende verlenging, waardoor het hof onjuist had geoordeeld dat de termijn direct na twaalf jaar begon te lopen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het verzoek tot verlenging binnen de termijn was ingediend en dus ontvankelijk was. Hiermee werd de rechtszekerheid en billijkheid in de alimentatieverplichting gewaarborgd.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de drie maanden termijn voor verlenging van partneralimentatie pas begint te lopen bij feitelijke beëindiging van de betalingen bij stilzwijgende voortzetting, en verklaart het verzoek ontvankelijk.