Art. 81 ROArt. 12 lid 2 FwArt. 8 lid 4 FwArt. 6 lid 3 Fw
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt faillietverklaring ondanks gebrek aan baten en behandelt rol curator in hoger beroep
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin het vonnis van de rechtbank Dordrecht is bekrachtigd dat verzoekers in staat van faillissement heeft verklaard op verzoek van verweerster. Het cassatieberoep is tijdig ingesteld en richt zich op meerdere klachten over het oordeel van het hof.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft aangenomen dat de rechtbank kennis heeft genomen van het verweerschrift van verzoekers, ondanks dat dit niet expliciet in het vonnis is vermeld. Daarnaast wordt geoordeeld dat het ontbreken van baten of onvoldoende actief geen grond is om een faillissementsaanvrage af te wijzen op basis van belangenafweging of gebrek aan belang. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie en literatuur.
Verder wijst de Hoge Raad klachten af die betogen dat bepaalde wettelijke voorwaarden niet meer gelden of dat het hof onjuist oordeelde over onbetaald gelaten schulden. Ten slotte bevestigt de Hoge Raad dat het de curator vrijstaat om in het schriftelijk verslag aan het hof in hoger beroep in te gaan op de beroepsgronden van de schuldenaar. Het cassatieberoep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 ROPro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest dat de faillietverklaring bekrachtigt blijft gehandhaafd.
Conclusie
10/00022
Mr L. Strikwerda
Zt. 2 april 2010
conclusie inzake
1. [Verzoeker 1]
2. [Verzoekster 2]
tegen
[Verweerster]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig door verzoekers tot cassatie, hierna: [verzoeker] c.s., ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 december 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] c.s. het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 10 november 2009, waarbij [verzoeker] c.s. op verzoek van thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], in staat van faillissement zijn verklaard, bekrachtigd.
2. [Verzoeker] c.s. hebben overeenkomstig art. 12 lid 2 joPro. art. 8 lid 4 FwPro tijdig en regelmatig van het cassatieberoep, alsmede van de tijd voor de behandeling bepaald, kennis gegeven aan de advocaat die het verzoek tot faillietverklaring heeft ingediend. [verweerster] is in cassatie niet verschenen.
3. Het cassatieberoep berust op één middel. De in het middel aangevoerde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 ROPro. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4. Het middel bevat, als ik het goed zie zes klachten.
5. De eerste klacht (cassatierekest onder 6.2) keert zich tegen hetgeen het hof heeft overwogen en beslist in r.o. 5.1 en houdt in dat het hof het gebrek in het vonnis van de rechtbank, te weten dat de rechtbank geen kennis heeft genomen van het verweerschrift van [verzoeker] c.s., niet kan helen op de wijze zoals het hof in die rechtsoverweging heeft gedaan.
6. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet vastgesteld dat de rechtbank geen kennis heeft genomen van het bedoelde verweerschrift en (dus) ook niet dat het vonnis van de rechtbank op dit punt een gebrek vertoonde. Het hof heeft immers overwogen dat "hoewel het verweerschrift in het bestreden vonnis niet uitdrukkelijk wordt vermeld, aangenomen (mag) worden dat de rechtbank hiervan kennis heeft genomen".
7. De tweede klacht (cassatierekest onder 6.3 en 6.4) verwijt het hof geen belangenafweging te hebben gemaakt, hoewel het daartoe was gehouden, nu duidelijk is dat [verweerster] geen enkele betaling zal ontvangen.
8. De klacht kan om een tweetal redenen geen doel treffen. De eerste reden is dat de aan de klacht ten grondslag gelegde stelling dat duidelijk is dat [verweerster] geen enkele betaling zal ontvangen (met welke stelling kennelijk wordt bedoeld dat er geen of onvoldoende baten beschikbaar zijn), geen steun vindt in het bestreden arrest (zie r.o. 3 van 's hofs arrest). De tweede reden is dat, al aangenomen dat er onvoldoende actief aanwezig is of te verwachten valt om na afrekening van de faillissementskosten aan crediteuren een uitkering te doen, dit in het kader van de faillissementsaanvrage geen reden is om de aanvrage op grond van een belangenafweging of op grond van gebrek aan belang af te wijzen. Vgl. HR 10 mei 1974, NJ 1975, 267 nt. BW, en HR 10 november 2000, NJ 2001, 249 nt. PvS. Zie voorts A.M.J. van Buchem-Spapens en Th.A. Pouw, Faillissement, surseance van betaling en schuldsanering, 8e dr. 2008, blz. 10/11.
9. De derde klacht (cassatierekest onder 6.5) is mij niet duidelijk geworden. Voor zover de klacht wil betogen dat in een geval als het onderhavige, waarin na afwijzing van het verzoek van de schuldenaar tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog moet worden beslist op de faillissementsaanvrage van een schuldeiser, de door art. 6 lid 3 FwPro gestelde voorwaarde voor toewijzing van de aanvrage niet (meer) geldt, is voor dit betoog geen steun te vinden in de wet.
10. De vierde klacht (cassatierekest onder 6.6 en 6.7), die zich keert tegen het oordeel van het hof met betrekking tot de vraag of het door [verzoeker] c.s. gestelde gebrek aan baten zich verzet tegen het toewijzen van de faillissementsaanvrage, herhaalt c.q. bouwt voort op de tweede klacht en moet het lot daarvan delen.
11. De vijfde klacht (cassatierekest onder 6.8) bestrijdt het oordeel van het hof - in r.o. 5.3 - dat er sprake is van door [verzoeker] c.s. onbetaald gelaten schulden.
12. De klacht faalt omdat, anders dan de klacht kennelijk wil betogen, de omstandigheid dat bij [verzoeker] c.s. de bereidheid tot (deel)inlossingen op getroffen betalingsregelingen onverkort aanwezig is gebleven, het bestreden oordeel van het hof onjuist noch onbegrijpelijk maakt.
13. De zesde klacht (cassatierekest onder 6.9) is gericht tegen het oordeel van het hof - in r.o. 5.4 - dat het de curator vrijstond om inhoudelijk in te gaan op de door [verzoeker] c.s. aangevoerde beroepsgronden.
14. De klacht faalt, omdat het oordeel van het hof juist is. De curator heeft, zoals gebruikelijk bij de behandeling van het hoger beroep tegen het vonnis waarbij de faillietverklaring is uitgesproken, schriftelijk verslag aan het hof uitgebracht. Vgl. Wessels Insolventierecht I, par. 1421. Geen wettelijke bepaling verbiedt de curator in dit schriftelijk verslag in te gaan op de door de schuldenaar tegen het bestreden vonnis aangevoerde beroepsgronden.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 ROPro.