1 Ontleend aan rov. 3.1 - 3.2 van het in cassatie bestreden arrest. Zoals blijkt uit rov. 2, sluit de feitenvaststelling van het hof aan bij die van de rechter in de eerste aanleg, zie rov. 1 - 7 van het eindvonnis in de eerste aanleg.
2 Deze vaststelling vormt mede inzet van de klachten in cassatie.
3 Op een ander punt, dat in cassatie niet meer aan de orde komt, week het hof wel van de eerste rechter af.
4 Het arrest van het hof is van 25 november 2008. De cassatiedagvaarding is op 24 februari 2009 uitgebracht.
5 Zie bijvoorbeeld de conclusie voor het aanstonds te bespreken arrest van 20 oktober 2000.
6 Wat ik hier bedoel, is te illustreren aan de hand van het feit dat een natuurlijke persoon die verhuurder van woonruimte is, de behoefte om huisvesting te bieden aan zijn eigen kinderen niet aan een beroep op dringend eigen gebruik ten grondslag kan leggen, tenzij er daadwerkelijke "eigen" belangen zijn aan te wijzen die hiermee (tevens) worden gediend (HR 9 december 1983, NJ 1984, 307 m.nt. PAS, rov. 3.1 en 3.2). Een rechtspersoon kan - zoals in de beslissing betreffende de Doopsgezinde Gemeente ook aan de orde was - zich wel (huisvestings)belangen van bepaalde personen aantrekken, en daarmee het dienen van die belangen tot een "eigen" belang maken.
7 Ik noem als vindplaatsen Huurrecht (losbl.), Vrolijk, art. 296, aant. 57; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 6, 7 en 8, Rossel, 2009, art. 7:296, aant. 4 onder a); De Jonge, Huurrecht, 2009, nr. 54.3; Kerpestein, Huurrecht bedrijfsruimte, 2009, p. 553 - 555; Teeuw, Huurgeschillen ontleed, 2009, p. 460 - 462; Rueb - Vrolijk - De Wijkerslooth-Vinke, De huurbepalingen verklaard, 2006, p. 221; Evers, Huurrecht bedrijfsruimten, 2003, par. 6.3.6; Hendriks, "Dropping the corporate veil: de rol van concernbelangen in het huurrecht", WR 2002, p. 145.
Een uitzondering merk ik op bij Asser-Abas (HUUR) 5 II, 2007, nr. 270: het arrest van 20 oktober 2000 wordt door deze schrijver niet genoemd. Ik waag de veronderstelling dat hier van een omissie sprake is.
Het valt (mij) op dat veel van de genoemde vindplaatsen het probleem benoemen als "vereenzelviging" van de verhuurder en de vennootschap die daadwerkelijk gebruik van het gehuurde zal gaan maken. Dat komt vermoedelijk doordat, zoals al ter sprake kwam, de appelrechter in de uitspraak die in het arrest van 13 december 1996 werd vernietigd, had aangenomen dat de betrokken vennootschappen mochten worden vereenzelvigd, en ook de appelrechter in de zaak die in het arrest van 20 oktober 2000 werd beoordeeld, "vereenzelviging" tussen de directeur-grootaandeelhouder en "zijn" B.V. had aangenomen.
Ik denk - zoals uit mijn eerdere beschouwingen al zal zijn gebleken - dat "vereenzelviging" in dit verband een minder gelukkige en gemakkelijk tot misverstand aanleiding gevende term is. Waar het om gaat is dat - zoals de Hoge Raad het in ieder van de aangehaalde arresten heeft geformuleerd - de verhuurder met de ingebruikgeving aan een andere vennootschap wezenlijke eigen belangen dient. "Vereenzelviging" van de betrokkenen is daarbij niet, of maar bij hoge uitzondering, aan de orde. Zie ook Hendriks op de in de eerder in deze voetnoot aangehaalde plaats.
8 Het is nog het vermelden waard dat blijkens de gegevens gepubliceerd op www.kvk.nl/handelsregister/bedrijfsinformatie/concernrelaties, de via het Handelsregister gepubliceerde "bedrijfsprofielen" alleen dan concernverwantschap vermelden, als tussen betrokkenen sprake is van 100% aandeelhouderschap ("In de concernrelaties vindt u geen informatie over aandeelhouders die minder dan 100 % van de aandelen bezitten"). Al daarom kan men er begrip voor opbrengen dat de rechter de uit deze bron verkrijgbare gegevens niet als buitengewoon relevant aanmerkt voor het beoordelen van (het al-dan-niet bestaan van) concern-verwantschap tussen klaarblijkelijk tot dezelfde organisatie behorende vennootschappen.
9 Dat de betrokkenen wél tot dezelfde organisatie - hetzelfde concern - behoren (en daarmee als "zustermaatschappijen" in ruime zin kunnen worden aangemerkt), is ook in die mate voor de hand liggend, dat ik geredelijk kan begrijpen dat het hof in het betoog namens [eiser] niet heeft willen "inlezen" dat (gemotiveerd) werd betwist dat er ook maar enige concernrelatie tussen de betrokkenen zou bestaan. Kennelijk heeft het hof dit betoog zo opgevat, dat het ertoe strekte dat er een bepaalde, nauwe concernrelatie zou moeten bestaan om aan te kunnen nemen dat gebruik door de ene vennootschap belangen van de andere kon dienen (en dat die concernrelatie uit de beschikbare stukken onvoldoende zou blijken). Dat betoog wordt met de hier besproken overweging(en) afdoende weerlegd.