ECLI:NL:PHR:2010:BM0143
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdig instellen en taalbegrip dagvaarding
Verdachte werd op 29 januari 2007 bij verstek veroordeeld door de politierechter te 's-Gravenhage wegens diefstal. Tegen dit vonnis stelde de raadsvrouw van verdachte op 20 februari 2007 hoger beroep in, maar dit was niet binnen de wettelijke termijn van 14 dagen na het vonnis. Het hof oordeelde dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
Verdachte had aangevoerd dat hij de dagvaarding niet begreep omdat deze betrekking had op een andere strafzaak dan waarvan hij dacht dat deze was, en dat hij daarom niet tijdig aanwezig kon zijn. Het hof stelde echter dat verdachte al sinds 1996 in Nederland woont, de Nederlandse taal voldoende beheerst en eerder zonder tolk was gehoord in een andere strafzaak. Bovendien rust op verdachte de verantwoordelijkheid om te begrijpen welke gerechtelijke stukken op hem betrekking hebben.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof. Het was aan verdachte om zich tijdig te laten informeren over de inhoud van de dagvaarding indien hij deze niet begreep. Het feit dat verdachte in bewaring was en de dagvaarding in het paleis van justitie ontving, doet hieraan niet af. Het middel van cassatie werd verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet tijdig instellen en het ontbreken van een gegronde reden voor het niet begrijpen van de dagvaarding.