ECLI:NL:PHR:2010:BM0255

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03828
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.7 WVW 1994Art. 8 WVW 1994Art. 130 WVW 1994Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafbaarheid rijden met ingevorderd rijbewijs zonder opzetvereiste

De zaak betreft een verdachte die op 7 oktober 2006 te Ede meerdere verkeersovertredingen beging, waaronder het rijden met een ingevorderd rijbewijs. Het Gerechtshof Arnhem veroordeelde hem onder meer voor overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep waarin werd betoogd dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van opzet of schuld ten aanzien van het feit dat het rijbewijs was ingevorderd. De Hoge Raad stelde dat het wettelijk kader geen opzet- of schuldbestanddeel vereist voor het weten van het ingevorderd zijn van het rijbewijs op het moment van het rijden. Dit volgt uit de tekst en parlementaire geschiedenis van artikel 9 lid 4 WVW Pro 1994.

Daarnaast werd het verweer besproken dat de verdachte onvoldoende inzicht had in de strekking van het bevel tot ademonderzoek. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte het bevel volledig begreep.

De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat aanleiding geeft tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en matigde de straf naar de gebruikelijke maatstaf, terwijl het beroep in cassatie voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor rijden met een ingevorderd rijbewijs zonder opzetvereiste en matigt de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 08/03828
Mr. Vellinga
Zitting: 30 maart 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1. "Overtreding van art. 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van art. 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 3. "Overtreding van art. 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" en 4. "Overtreding van art. 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair dertig dagen hechtenis, een geldboete van € 1500,00 subsidiair dertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen als in het arrest vermeld.
2. Namens verdachte heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. De middelen bevatten de klacht dat het Hof de bewezenverklaring van het eerste, het tweede en het vierde tenlastegelegde feit onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het voor een misdrijf vereiste opzet of de voor een misdrijf vereiste schuld niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Aldus lenen de middelen zich voor gezamenlijke behandeling.
4. Onder een, twee en vier is ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"1. hij op 7 oktober 2006 te omstreeks 03.47 te Ede als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat.
2. hij op 7 oktober 2006 te omstreeks 04.40 uur te Ede als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Telefoonweg, een motorrijtuig, personenauto, van de categorie waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;
(...)
4.
hij op 7 oktober 2006 te omstreeks 09.04 uur de Ede als degene van wie zijn rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, de Oude Arnhemseweg, een motorrijtuig, personenauto, van de categorie waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd."
5. Voor wat betreft het onder 2 en 4 bewezenverklaarde diene het volgende.
6. Het onder 2 en 4 bewezenverklaarde is toegesneden op overtreding van art. 9 lid Pro 4 WVW1994. Deze bepaling luidt:
"4. Het is degene van wie ingevolge artikel 130, tweede lid, de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs is gevorderd, dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd en aan wie dat bewijs niet is teruggegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarvoor dat bewijs was afgegeven, te besturen of als bestuurder te doen besturen."
7. Deze bepaling is ongewijzigd overgenomen uit art. 32 lid 3 WVW Pro oud(1) zij het dat de bepaling om enige onvolkomenheid(2) weg te nemen is aangevuld met de passage "dan wel wiens rijbewijs is ingevorderd".(3) Over art. 32 lid 3 WVW Pro oud houdt de memorie van toelichting in:
"Voorgesteld wordt om artikel 32 WVW Pro aan te vullen met een nieuw derde lid waarin - op soortgelijke wijze als in het eerste en tweede lid van dat artikel - een verbod is vervat op het besturen van een motorrijtuig nadat het daarvoor afgegeven rijbewijs is ingevorderd. Aangezien van invordering eerst sprake is indien de in artikel 27, eerste lid, bedoelde vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt en het rijbewijs in handen is gekomen van de opsporingsambtenaar, zal in de praktijk steeds bewezen kunnen worden dat de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs is ingevorderd. Het voorgestelde verbod blijft dan van kracht totdat het rijbewijs aan hem is teruggegeven. Het betreft hier een bijkomende voorwaarde met een puur feitelijk karakter. Dit voorkomt discussies over de duur en de reden van inhouding of eventuele complicaties bij de teruggave van het rijbewijs. Zolang de betrokkene zijn rijbewijs niet heeft teruggekregen, zal hij zich dus aan het verbod moeten houden."(4)
8. Zoals de tekst van de memorie van toelichting laat zien achtte de wetgever het vereiste opzet of de vereiste schuld opgesloten liggen in de omstandigheid dat pas van invordering kan worden gesproken wanneer de vordering de houder van het rijbewijs heeft bereikt.(5)
9. Voor de aan de middelen ten grondslag liggende opvatting dat er ook opzet of schuld vereist is ten aanzien van het ingevorderd zijn van het rijbewijs op het moment van het besturen biedt noch de tekst van de wet noch de parlementaire geschiedenis enige steun.
10. Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat uit de bewijsmiddelen ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde niet blijkt dat de verbalisanten zich ervan hebben vergewist dat verdachte onvoldoende inzicht in de strekking van de vordering had.
11. Verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring (bewijsmiddel 1) houdt in dat de verdachte op het politiebureau geweigerd heeft te blazen in het ademanalyseapparaat. Bewijsmiddel 2 houdt onder meer in dat de verbalisant die bedoeld bevel gaf aan de verdachte het ademanalyseapparaat heeft getoond en dat de verdachte daarop verklaarde niet te willen meewerken. Uit een en ander heeft het Hof zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte de strekking van het bevel tot medewerking aan een onderzoek als bedoeld in art. 8 WVW1994 geheel en al heeft begrepen.
12. De middelen falen.
13. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 24 augustus 2007 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 74 t.a.v. (toen nog) art. 8 WVW1994.
2 In het oorspronkelijke ontwerp werd gesproken van degene wiens rijbewijs is ingevorderd. Teneinde te voorkomen dat iemand aan de greep van de strafbepaling zou kunnen ontkomen door zijn rijbewijs thuis te laten werd de bepaling gewijzigd in die zin dat deze zich richtte tot degene van wie de overgifte van het rijbewijs was gevorderd (Kamerstukken II, 1989-1990, 20 591, nr. 7, p. 4, 5). Kennelijk bij abuis is toen weggevallen dat de bepaling zich bleef richten tot degene wiens rijbewijs was ingevorderd.
3 Kamerstukken II 1992-1993, 22 030, nr. 15, p. 10.
4 Kamerstukken II 1987-1988, 20 591, nr. 3, p. 9.
5 Zo ook E.F. Stamhuis en J. Remmelink in De Wegenverkeerswet 1994, onder redactie van A.E. Harteveld en H.G.M. Krabbe, Deventer: Gouda Quint 1999, tweede druk, p. 211: Een apart opzet- of schuldbestanddeel, betrekking hebbend op de overgifte is overbodig, omdat de vordering steeds de betrokkene bereikt moet hebben.