"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
De raadsman heeft betoogd dat verdachte van zowel de primair ten laste gelegde moord als de subsidiair ten laste gelegde doodslag moet worden vrijgesproken.
Volgens de raadsman wordt niet betwist dat verdachte een schot heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer] toen deze op hem kwam afgelopen. Dit was volgens de raadsman niet meer dan een waarschuwingsschot. Verdachte richtte volgens de raadsman dit schot bewust naast [slachtoffer] en had daarbij niet het opzet die [slachtoffer] van het leven te beroven. Ook het feit dat er een tweede keer een schot is afgegaan wordt door de raadsman niet betwist.
De raadsman stelt dat dit tweede, dodelijke, schot per ongeluk is afgegaan toen verdachte en [slachtoffer] op de grond met elkaar aan het vechten waren. Volgens de raadsman valt er in de door het NFI uitgevoerde reconstructie steun te vinden voor de stelling dat het tweede schot tijdens de worsteling moet zijn afgegaan. Immers het NFI sluit volgens de raadsman uit dat schutter en slachtoffer tegenover elkaar in rechtopstaande positie stonden toen er werd geschoten.
Gelet op het feit dat het eerste schot een waarschuwingsschot was en het tweede schot per ongeluk tijdens de worsteling is afgegaan heeft verdachte niet met opzet en voorbedachte raden [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Verdachte moet, aldus de raadsman, op grond daarvan van de primair ten laste gelegde moord worden vrijgesproken.
Daarnaast acht de raadsman de door de rechtbank gebruikte getuigenverklaringen niet betrouwbaar zo althans wordt het door de raadsman naar vorengebrachte begrepen. Het hof is van oordeel dat de door of namens verdachte bepleite vrijspraak telkens wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoal deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende bewijsmiddelen, te twijfelen. Met name merkt het hof nog het navolgende op.
Voor de vraag of verdachte heeft gehandeld met opzet en voorbedachten rade zal het hof eerst vaststellen wat er feitelijk op 23 december 2006 tussen verdachte en [slachtoffer] is voorgevallen.
De verdachte heeft over het gebeuren ter zitting in eerste aanleg op 3 augustus 2007 een verklaring afgelegd. Verdachte is ter zitting in hoger beroep grotendeels bij deze verklaring gebleven.
Deze verklaring komt er op neer dat verdachte op 23 december 2006 in zijn woning te [woonplaats] was. Hij verklaart dat hij hoorde dat er aan de overkant werd gevochten en ruzie werd gemaakt. Dit was in de woning van [slachtoffer]. Volgens verdachte was het oorlog bij [slachtoffer]. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] binnen voor het raam stond. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] naar hem riep: "Ik maak je kapot". Volgens verdachte wilde [slachtoffer] door het raam van zijn eigen woning naar buiten toe. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer] zijn woning uit. Verdachte heeft daarop, volgens zijn verklaring, in zijn woning een klein wapentje gepakt. [Slachtoffer] kwam vervolgens, volgens verdachte, tot voor zijn deur.
Verdachte verklaart dat hij bang was dat [slachtoffer] hem in elkaar zou slaan en alles in zou gooien. Verdachte verklaart dat toen [slachtoffer] op hem kwam afgestormd, hij eenmaal bewust langs hem heeft geschoten om hem angst aan te jagen. Verdachte verklaart dat hij wilde dat [slachtoffer] ophield.
Verdachte verklaart dat [slachtoffer] na dit schot op hem af is gekomen. Verdachte verklaart dat [slachtoffer] meteen op hem zat. Verdachte zou op de grond hebben gelegen en [slachtoffer] lag bovenop hem. Volgens verdachte is tijdens die worsteling het tweede schot waarschijnlijk afgegaan. Verdachte verklaart dat dit dan per ongeluk moet zijn geweest en dat hij toen hij op de grond lag niet bewust de trekker heeft overgehaald.
Ter zitting in hoger beroep op 15 december 2008 heeft verdachte, op vragen van de voorzitter nader verklaard tijdens de worsteling geen schot te hebben gehoord.
Verdachtes verklaring heeft op dit onderdeel daardoor eerder het karakter van een veronderstelling dan van een opgave van feiten of omstandigheden die hem uit eigen wetenschap bekend zijn.
Over het gebeuren op 23 december 2006 verklaren tevens de getuigen [getuige 2] en [getuige 1].
Ter zitting in hoger beroep op 10 april 2008 verklaarde [getuige 2] dat hij die avond in de woning van [slachtoffer] was. Hij verklaarde verder dat [slachtoffer] zonder pistool naar buiten ging. [Getuige 2] verklaart vervolgens dat hij vlak achter elkaar knallen hoorde. [Getuige 2] was op dat moment nog in de woning van [slachtoffer]. Toen [getuige 2] buiten kwam zag hij dat verdachte en [slachtoffer] aan het worstelen waren.
[Getuige 1] verklaart ter zitting in hoger beroep op 10 april 2008 dat zij tijdens de bewuste avond in de woning van [slachtoffer] was. Zij verklaarde dat op enig moment [slachtoffer] de woning uitging. Zij liep achter hem aan. [Getuige 1] verklaarde dat verdachte toen al buiten was. Volgens [getuige 1] zou verdachte hebben geroepen: "kom maar, kom maar". Vervolgens schoot verdachte volgens haar meerdere keren. [Getuige 1] verklaarde dat zij en [slachtoffer] toen net buiten stonden. [Getuige 1] verklaarde dat zij zag dat [slachtoffer] richting de voordeur van verdachte liep. Verdachte stond in zijn deuropening. Toen er geschoten werd week [slachtoffer] volgens [getuige 1] naar rechts en links uit. [slachtoffer] liep volgens haar zigzaggend verder maar nog wel rechtop. Op een gegeven moment zei [slachtoffer] volgens [getuige 1] dat hij geraakt was en zakte op de grond. Volgens [getuige 1] vond er na het schieten een confrontatie plaats tussen [slachtoffer] en de verdachte. Ze gingen beiden volgens de getuige naar de grond.
[Getuige 1] verklaarde dat toen [slachtoffer] en verdachte op de grond lagen, de verdachte niet meer had geschoten.
Het hof gaat voor de feitelijke toedracht uit van voornoemde verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]. Deze verklaringen wijken op onderdelen af van voornoemde verklaring van verdachte maar het hof heeft geen reden te twijfelen aan de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van die verklaringen.
In het kader van de vaststelling of verdachte met opzet heeft gehandeld stelt het hof verder nog het navolgende vast.
Het inslaggat van de eerste kogel die door verdachte werd afgevuurd werd aangetroffen in de deur van de meterkast van de woning van [slachtoffer]. De deur van de meterkast bevindt zich rechts naast de voordeur. Het inslaggat zat op een hoogte van 1.90 meter gemeten vanaf de grond en 35 centimeter gemeten vanaf de linkerkant.
Gelet op de positie van dit inslaggat was het naar het oordeel van het hof mogelijk dat een persoon in de deuropening door de kogel geraakt zou kunnen worden.
De tweede kogel wordt aangetroffen in het lichaam van [slachtoffer] waar deze een liesslagader raakt waardoor hij komt te overlijden.
Het hof komt op basis van het vorenstaande tot de navolgende feitenvaststelling.
[Slachtoffer] verliet op 23 december 2006 onbewapend althans niet zichtbaar bewapend zijn woning. Verdachte had toen al een wapen in zijn woning gehaald en stond daarmee buiten [slachtoffer] op te wachten. Verdachte heeft daarop richting [slachtoffer] geroepen: "kom maar, kom maar". Vrij snel daarna volgden schoten elkaar snel op. [Slachtoffer] liep daarbij naar links en rechts uitwijkend, zigzaggend maar nog wel rechtop, in de richting van verdachte. Op een gegeven moment zei [slachtoffer] dat hij was geraakt en zakte hij op de grond. Vervolgens vond er nog een worsteling plaats tussen hem en de verdachte.
Een van de afgevuurde kogels maakte een inslaggat direct naast de voordeur van waaruit [slachtoffer] kwam gelopen. De andere kogel werd aangetroffen kogel in het lichaam van [slachtoffer].
De vraag is nu allereerst of uit deze feitelijke toedracht volgt dat verdachte met opzet heeft gehandeld.
Het hof stelt voorop dat verdachte blijkens het vorenstaande [slachtoffer] met een wapen buiten heeft staan opwachten en [slachtoffer] heeft uitgedaagd nadat deze eveneens buiten verscheen.
Verdachte loste daarop het eerste schot.
Anders dan de verdachte verklaart is het hof van oordeel dat dit een gericht schot was en geen waarschuwingsschot. Het hof is dit van oordeel gelet op de plaats van de kogelinslag van de eerste kogel. Daarnaast overweegt het hof dat een waarschuwingsschot doorgaans niet op de wijze wordt afgevuurd zoals verdachte dat deed. Een waarschuwingsschot wordt veelal in de lucht afgeschoten.
Nadat verdachte het eerste op [slachtoffer] gerichte schot had afgevuurd volgde vrij snel daarna het tweede, dodelijke, schot. Anders dan de verdachte is het hof van oordeel dat dit tweede schot niet tijdens de worsteling is afgegaan. Het hof komt tot dit oordeel omdat het eerste schot en het tweede schot elkaar snel opvolgden. Bovendien gingen de schoten vrijwel direct af toen [slachtoffer] zijn woning uitkwam. Daarnaast verklaart niemand anders dan verdachte dat het tweede schot tijdens de worsteling afging. Bovendien is verdachte niet stellig in zijn verklaring op dit punt. Zo verklaart hij dat het waarschijnlijk tijdens de worsteling moet zijn afgegaan maar ook dat hij tijdens de worsteling geen schot heeft gehoord.
Het hof is van oordeel dat verdachte voor de tweede maal opzettelijk in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten.
Aan het oordeel van het hof dat het schot niet tijdens de worsteling is afgegaan doet de door de raadsman aangehaalde door het NFI uitgevoerde reconstructie en de verklaring van [getuige 1] niet af.
Het hof overweegt daartoe dat de deskundige Hoogeboom in zijn rapport van 7 mei 2008 en ter zitting in hoger beroep op 15 december 2008 het scenario heeft uitgesloten dat het schot is afgevuurd terwijl het slachtoffer kaarsrecht stond en de schutter op een gelijk grondniveau als het slachtoffer stond.
Het hof is van oordeel dat dit statische scenario zich hier niet voordoet. Uit het vastgestelde feitencomplex volgt dat [slachtoffer] naar links en rechtsuitwijkend, zigzaggend maar nog wel rechtop, in de richting van verdachte liep. Het is, naar het oordeel van het hof, evenwel een algemene ervaringsregel dat wanneer men zich op een dergelijke wijze voortbeweegt, men niet kaarsrecht loopt zoals door het NFI vereist in voornoemd, overigens statische, scenario. In dit licht dient volgens het hof dan ook de verklaring van [getuige 1] te worden beschouwd.
Met betrekking tot de bewezen verklaarde voorbedachten rade merkt het hof nog in het bijzonder het navolgende op.
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat "voorbedachten rade" een term is die bedoeld is om het tegenovergestelde van een "ogenblikkelijke gemoedsopwelling" aan te duiden. Voor het bewijs van de voorbedachte raad is reeds voldoende, dat vaststaat dat verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat er gelegenheid was tot nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Daarbij is niet van belang of die gelegenheid slechts gedurende korte tijd zou hebben bestaan. Het navolgende heeft zich voorgedaan. Verdachte is nadat hij had gezien dat [slachtoffer] agressief was en door de ruit van zijn woning naar buiten wilde komen zijn woning ingegaan, heeft een wapen gehaald en heeft zich in zijn deuropening met dat wapen opgesteld. Op het moment dat [slachtoffer], ongewapend in ieder geval niet zichtbaar bewapend, zijn woning uitkwam riep verdachte naar hem: "kom maar, kom maar", waarna verdachte direct twee keer gericht op [slachtoffer] schoot.
Het voorgaande heeft aan verdachte een tijdsspanne gegeven, gedurende welke hij zich zou hebben kunnen beraden op zijn voorgenomen daad. Het hof komt dan ook, evenals de rechtbank, tot de conclusie, dat verdachte niet alleen met opzet heeft gehandeld, maar tevens met voorbedachten rade, zodat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen moet worden verklaard.
Het verweer wordt mitsdien - in al haar onderdelen - verworpen."