ECLI:NL:PHR:2010:BM1075

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01690
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:160 BWArt. 1:401 lid 4 BWArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging partneralimentatie wegens samenwonen als gehuwd volgens artikel 1:160 BW

In deze zaak staat centraal of de partneralimentatieplicht van de man jegens zijn ex-echtgenote eindigt op grond van artikel 1:160 BW Pro, omdat de vrouw samenwoonde met een ander als waren zij gehuwd. Het hof 's-Gravenhage had geoordeeld dat de vrouw niet was geslaagd in het bewijs dat er geen financiële verwevenheid bestond tussen haar en haar vriend, en concludeerde dat de alimentatieplicht per 1 juli 2005 was geëindigd. Tevens werd de vrouw veroordeeld tot terugbetaling van ontvangen alimentatie na die datum.

De vrouw stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de bewijslast bij haar had gelegd om het ontbreken van financiële verwevenheid aan te tonen. De Hoge Raad verwijst naar een gelijktijdig behandeld cassatieberoep waarin deze kwesties uitvoerig zijn besproken en concludeert dat de klachten van de vrouw niet slagen.

De Hoge Raad bevestigt daarmee de rechtspraak dat het samenwonen als waren zij gehuwd de alimentatieplicht beëindigt en dat de alimentatiegerechtigde niet hoeft te bewijzen dat er geen financiële verwevenheid is. De beslissing van het hof blijft daarmee in stand en het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt verworpen en de partneralimentatieplicht eindigt per 1 juli 2005.

Conclusie

09/01690
mr. De Vries Lentsch-Kostense
Parket 9 april 2010
Conclusie inzake
[De vrouw]
tegen
[De man]
Inleiding
1. Partijen, verder: de vrouw en de man, zijn gewezen echtgenoten. Het onderhavige cassatieberoep van de vrouw houdt nauw verband met haar cassatieberoep in de zaak met nr. 08/04284. In die cassatiezaak, waarnaar het cassatiemiddel ook verwijst, wordt heden eveneens geconcludeerd.
Het gaat in beide cassatieberoepen om beschikkingen van het hof 's-Gravenhage die in hetzelfde geding tussen partijen zijn gewezen. Het geding betreft het op art. 1:401 lid 4 BW Pro gebaseerde verzoek van de man tot wijziging van de beschikking waarbij de door hem te betalen alimentatie voor de drie minderjarige kinderen van partijen en voor de vrouw is vastgesteld, alsmede het verzoek de alimentatieplicht jegens de vrouw te beëindigen op de voet van art. 1:160 BW Pro.
Het hof heeft bij zijn beschikking van 9 juli 2008 het wijzigingsverzoek met betrekking tot de kinderalimentatie gehonoreerd en de voor de kinderen te betalen bijdrage op een lager bedrag bepaald. Het hof heeft voorts voor zover het de partneralimentatie betreft onder aanhouding van iedere verdere beslissing de vrouw toegelaten door middel van getuigen te bewijzen dat tussen haar en haar vriend geen financiële verwevenheid heeft bestaan en het heeft de partneralimentatie voorlopig en in afwachting van de beslissing omtrent het op art. 1:160 BW Pro gebaseerde verzoek van de man, op nihil gesteld wegens gebrek aan draagkracht van de man.
2. Het door de vrouw tegen deze beschikking van 9 juli 2008 gerichte cassatieberoep (de zaak 08/04284) richt zich tegen 's hofs oordeel omtrent de kinderalimentatie (en daarmede tegen dat deel van de beschikking dat als "eindbeschikking" moet worden gekwalificeerd) alsmede tegen 's hofs oordeel inzake het beroep op art. 1:160 BW Pro inhoudende dat de vrouw dient te bewijzen dat tussen haar en haar vriend met wie zij een affectieve relatie van duurzame aard had, over en weer geen financiële verwevenheid heeft bestaan (het interlocutoire gedeelte van de beschikking). Zoals ik in mijn conclusie in die zaak heb toegelicht, is de vrouw in die zaak ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen die beschikking ook voor zover dat is gericht tegen het interlocutoire gedeelte daarvan.
3. Het hof heeft getuigenverhoren gehouden ondanks het door de vrouw (tijdig) tegen de beschikking van 9 juli 2009 ingediende cassatieberoep waarvan het hof op de hoogte is gebracht door de man, zoals blijkt uit het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal van het getuigenverhoor op 20 oktober 2008.
Het hof heeft vervolgens bij eindbeschikking van 28 januari 2009 overwogen dat de vrouw niet is geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs. Dit oordeel brengt mee, aldus het hof in zijn beschikking, dat kan worden vastgesteld dat sprake is - geweest - van een situatie als bedoeld in art. 1:160 BW Pro en dat de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie met ingang van medio 2005 is geëindigd en dat het hof dan ook als einddatum zal aanhouden 1 juli 2005. Het hof overwoog voorts dat het door de vrouw niet betwiste verzoek van de man de vrouw tot terugbetaling te veroordelen, kan worden toegewezen. Het hof heeft ten slotte vastgesteld - in zoverre met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 6 maart 2006 van de rechtbank te 's-Gravenhage - dat de verplichting van de man tot betaling van kosten van levensonderhoud ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 juli 2005 is geëindigd. Het hof heeft voorts de vrouw veroordeeld tot terugbetaling aan de man van het bedrag dat zij vanaf 1 juli 2005 ter zake van de partneralimentatie van de man heeft ontvangen.
4. De vrouw heeft in de onderhavige cassatiezaak (tijdig) cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 28 januari 2009 en - zonodig - opnieuw tegen de beschikking van 9 juli 2008. De man heeft geen verweerschrift ingediend.
Het cassatiemiddel
5. Het cassatiemiddel richt zich met een aantal klachten tegen de beschikking van het hof van 9 juli 2008 voor zover de vrouw in haar eerder ingestelde cassatieverzoekschrift tegen deze beschikking (de zaak 08/04284) niet zou kunnen worden ontvangen dan wel uw Raad anderszins niet zou toekomen aan de beoordeling van de tweede "klacht" (middelonderdeel 2), gericht tegen 's hofs oordeel omtrent de bewijslevering in het kader van 1:160 BW. Deze klachten zijn gelijkluidend aan de klachten vervat in middelonderdeel 2 ("klacht 2") van bedoeld cassatieverzoekschrift. Deze klachten behoeven geen behandeling omdat de vrouw, zoals hiervoor reeds aangegeven, wél in haar cassatieberoep tegen de beschikking van 9 juli 2008 kan worden ontvangen, zodat de voorwaarde waaronder deze klachten zijn aangevoerd, niet is vervuld nu ook niet valt in te zien op welke grond uw Raad niet aan de behandeling van die klachten zou toekomen.
6. Het cassatiemiddel richt zich met onderdeel 1.12 tegen de beschikking van 28 januari 2009. Het klaagt dat het hof, door te oordelen dat de vrouw niet is geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs, heeft miskend dat het niet aan de vrouw was het ontbreken van financiële verwevenheid te bewijzen. Het betoogt dat het hof derhalve evenzeer ten onrechte aan het falen van de vrouw in het leveren van het aan haar opgedragen bewijs de conclusie heeft verbonden dat sprake is geweest van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW Pro met als gevolg dat de verplichting van de man tot betaling van partneralimentatie met ingang van 1 juli 2005 is geëindigd en voorts dat de vrouw gehouden is tot terugbetaling aan de man van het bedrag dat zij van hem ter zake van partneralimentatie na 1 juli 2005 heeft ontvangen.
Dit middelonderdeel bouwt voort op de klachten gericht tegen de beschikking van 9 juli 2008 en moet derhalve het lot daarvan delen, zoals ook het middelonderdeel onderkent. Die klachten moeten naar mijn oordeel falen, zoals moge volgen uit mijn conclusie in de zaak 08/04284. Ik volsta hier met een verwijzing naar die conclusie.
7. Nu de aangevoerde klachten geen doel treffen, moet het cassatieberoep falen.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden