ECLI:NL:PHR:2010:BM1676
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis en de rol van behandeling
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een machtiging tot voortgezet verblijf van een betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van twee jaren. De rechtbank had de machtiging verleend op grond van het gevaar dat de geestesstoornis van betrokkene oplevert voor zichzelf en anderen. De rechtbank oordeelde dat het al dan niet plaatsvinden van behandeling en de kwaliteit daarvan niet relevant zijn voor de beoordeling van de machtiging.
Het cassatierecht stelt dat de vrijheidsbeneming onder art. 5 lid 1 onder Pro e EVRM valt en dat opname in een geschikt ziekenhuis vereist is. De behandeling zelf is geen vereiste voor rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming, hoewel het behandelingsplan en de aantekeningen daarvan bij het verzoek moeten worden overgelegd. De toetsing van proportionaliteit richt zich op het gevaar en de ernst daarvan, niet op het succes van de behandeling.
De Hoge Raad bevestigt dat geschillen over het behandelingsplan of de wijze van behandeling niet in de machtigingsprocedure kunnen worden beslecht. Indien betrokkene bezwaren heeft, kan hij die kenbaar maken via het overleg over het behandelingsplan of via klachtenprocedures. De conclusie is dat het beroep wordt verworpen en de machtiging blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de machtiging tot voortgezet verblijf blijft in stand.