ECLI:NL:PHR:2010:BM1736
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof dat het verzoek van partijen tot toelating tot de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen heeft afgewezen. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoekers te goeder trouw waren bij het ontstaan of het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan hun aanvraag, zoals vereist in art. 288 lid 1 onder Pro b Fw.
Het hof baseerde zijn oordeel vooral op het ontbreken van duidelijke informatie over de besteding van een bankkrediet van circa € 24.000, dat het grootste deel van de schuldenlast uitmaakte. Slechts voor kleinere bedragen konden verklaringen worden gegeven. De Hoge Raad bevestigt dat sinds de wetswijziging van 1 januari 2008 goede trouw een imperatief vereiste is en dat van verzoekers een relevante bijdrage aan het leveren van overtuigingsmateriaal wordt verwacht.
De klachten in cassatie, die stelden dat de rechter een zwaardere motiveringsplicht en onderzoeksplicht zou hebben, worden verworpen. De Hoge Raad stelt dat globale en feitelijk onbewezen beweringen onvoldoende zijn om goede trouw aannemelijk te maken, zeker gezien de disproportionele schuldenlast ten opzichte van het inkomen. De rechter heeft voldoende inspanning verricht om informatie te verkrijgen, maar het ontbreken van relevante gegevens rechtvaardigt afwijzing.
Hoewel begrip bestaat voor de moeilijke sociale omstandigheden van verzoekers, verhinderen de wettelijke barrières dat het verzoek wordt toegewezen. De Hoge Raad concludeert tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.