2. De feiten waarvan in cassatie dient te worden uitgegaan, treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.19 van het tussenvonnis van de rechtbank van 22 november 2006 (zie r.o. 3 van het arrest van het hof). Zij komen op het volgende neer.
(i) [Betrokkene 1], hierna: [betrokkene 1], die op 10 juli 2000 is overleden, heeft op 18 februari 1993 aan (een rechtsvoorgangster van) thans verweerster in cassatie, hierna: [verweerster], verkocht en op 24 maart 1993 geleverd het woonhuis met garage, kantoor, motorbrandstoffenverkooppunt, ondergrond, erf en tuin gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] alsmede een perceel grond langs de [b-straat] te [plaats], hierna: de onroerende zaak, voor een bedrag van f 420.000,-.
(ii) In de transportakte is een terugkooprecht tegen een koopprijs van f 420.000,- voor een periode van vijf jaar ten behoeve van de verkoper en zijn rechtsopvolgers onder algemene titel (echtgenote en kinderen) opgenomen.
(iii) [Betrokkene 1] heeft het terugkooprecht op 21 maart 1998, derhalve tijdig, ingeroepen.
(iv) Daarna hebben tussen [betrokkene 1] en (de rechtsvoorgangster van) [verweerster] onderhandelingen plaatsgevonden.
(v) Begin januari 2000 is een concept (terug)koopovereenkomst tussen (de rechtsvoorgangster van) [verweerster] als verkoper en [betrokkene 1] en zijn echtgenote als kopers opgesteld door notaris mr J.L. de Lange te Putten. In die koopovereenkomst is opgenomen dat de onroerend zaak, met uitzondering van het motorbrandstoffenverkooppunt, wordt verkocht voor een koopsom van f 350.000,-.
(vi) Op 18 januari 2000 is namens de notaris een definitieve koopovereenkomst aan [betrokkene 1] en zijn echtgenote toegezonden. De datum van levering werd bepaald op 30 maart 2000.
(vii) De koopovereenkomst is niet ondertekend en de levering heeft niet op 30 maart 2000, noch op enig later moment plaatsgevonden.
(viii) Op 23 oktober 2000 heeft [verweerster] aan [betrokkene 1] onder meer laten weten dat zij bereid is het woonhuis en garagepand gelegen te [a-straat 1] aan [betrokkene 1] te verkopen "onder de condities zoals bij het kantoor te [plaats] bepaald voor de prijs van F 650.000,- K.K." onder opgave van een overzicht van "de openstaande schuldposten".
(ix) Bij brief van 7 december 2000 heeft de weduwe van [betrokkene 1] aan [verweerster] te kennen gegeven dat zij heeft besloten "het onroerend goed (woonhuis/garage) inclusief grond en tuinen gelegen aan de [a-straat 1], van U terug te kopen en aan mijzelf te behouden" en bij [verweerster] aangedrongen op nakoming van "het eerder afgesloten koopcontract".
(x) Bij ongedateerde brief (volgens partijen van 12 april 2001) heeft de weduwe van [betrokkene 1] in reactie op een brief van 20 februari 2001 van [verweerster] onder meer geschreven dat zij niet snapt "hoe u meent te kunnen zeggen dat u niet meer wil verkopen" en dat zij de afspraak die haar man met [verweerster] had, graag wil nakomen.
(xi) [Verweerster] heeft op deze brief gereageerd op 6 augustus 2001 met onder meer de mededeling dat aan meerdere van de in de koopovereenkomst en leveringsovereenkomst opgenomen voorwaarden voor de verkoop van het onroerend goed "niet (is) voldaan of niet voldaan (kan) worden" en dat zij wil vernemen "hoe de in het verleden opgelopen schuld" zal worden vereffend.
(xii) Bijna vier jaar later, bij brief van 29 juli 2005, hebben de weduwe van [betrokkene 1] en [eiser 2], een zoon van [betrokkene 1], hierna: [eiser] c.s., aan [verweerster] geschreven: