ECLI:NL:PHR:2010:BM2416
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens weigering bloedonderzoek bij rijden onder invloed na terugwijzing door Hoge Raad
Verdachte werd aanvankelijk vrijgesproken van het niet verlenen van toestemming voor bloedonderzoek bij verdenking van rijden onder invloed (art. 163 lid 9 WVW Pro 1994). Na cassatie door de Advocaat-Generaal vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het Hof te 's-Gravenhage.
Het Hof wijzigde vervolgens de tenlastelegging en veroordeelde verdachte tot een geldboete van €600 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden. Verdachte stelde cassatie in tegen deze veroordeling met klachten over grondslagverlating en onvoldoende motivering.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal niet beperkt was en dat het Hof gebonden was aan de volledige terugwijzing. Er was geen sprake van strijd met het ne bis in idem-beginsel of grondslagverlating. De bewijsklachten faalden eveneens. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot vernietiging van het arrest. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van €600 en ontzegging van de rijbevoegdheid voor negen maanden wegens het niet meewerken aan bloedonderzoek.