ECLI:NL:PHR:2010:BM2448

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02491 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 577b SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerij

In deze zaak heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage vastgesteld dat verdachte uit het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet een wederrechtelijk voordeel van €36.800 heeft verkregen. Dit bedrag is door het hof aan de verdachte ontnomen en moet aan de Staat worden betaald.

Verdachte stelde twee middelen van cassatie voor. Het eerste middel betrof de stelling dat het hof de ontnemingsvordering niet mocht baseren op de veroordeling in de strafzaak omdat deze berustte op onrechtmatig verkregen bewijs en dat het hof ten onrechte aannam dat verdachte de hennepkwekerij uitsluitend exploiteerde. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de rechter bij ontneming gebonden is aan het oordeel van de strafrechter, ook omtrent medeplegen.

Het tweede middel betrof de berekening van het voordeel, waarbij het hof kosten voor reizen naar Thailand als beloning aan een medewerker had meegerekend. Dit middel faalde eveneens omdat het hof uitging van de werkelijke 'zwarte' kosten en niet van hypothetische 'witte' kosten.

De Hoge Raad zag geen reden om ambtshalve te vernietigen en verwierp het cassatieberoep. Hiermee blijft de ontnemingsmaatregel van €36.800 in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsmaatregel van €36.800.

Conclusie

Nr. 08/02491 P
Mr. Knigge
Zitting: 13 april 2010
Conclusie inzake:
[Betrokkene=verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het door de veroordeelde uit "de voortgezette handeling van: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod" verkregen voordeel vastgesteld op € 36.800, -- en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 36.800, --.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 08/02490 en 08/02491 P. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verdachte heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. De schriftuur begint met een inleiding waarin wordt aangegeven dat de middelen in de onderhavige zaak voorwaardelijk worden ingesteld, en wel onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het cassatieberoep in de met deze zaak samenhangende strafzaak zal verwerpen. De steller van het middel gaat er kennelijk vanuit dat indien de Hoge Raad de beslissing in de strafzaak vernietigt dit tevens tot vernietiging van de onderhavige beslissing van het Hof leidt. Die opvatting is onjuist. De omstandigheid dat na een vernietiging tot een ander oordeel omtrent de strafzaak wordt gekomen, kan, gelet op het bepaalde in artikel 577b Sv, aanleiding geven het vastgestelde ontnemingsbedrag te verminderen of kwijt te schelden. Ik zal daarom voorbij gaan aan de bedoelde voorwaarde, die mij niet in het belang van de veroordeelde lijkt.
5. Het eerste middel klaagt, als ik het goed begrijp, dat het Hof de veroordeling in de strafzaak niet aan de onderhavige ontnemingsvordering ten grondslag had mogen leggen aangezien die veroordeling berust op onrechtmatig verkregen bewijs. Het Hof had er in de strafzaak, zo wordt daartoe in de toelichting op het middel aangevoerd, niet vanuit mogen gaan dat de hennepkwekerij onder de uitsluitende verantwoordelijkheid van de verdachte werd geëxploiteerd.
6. De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk genoten voordeel moet oordelen, is in beginsel gebonden aan het oordeel van de rechter in de hoofdzaak.(1) Dat geldt ook voor diens beslissing dat geen sprake was van medeplegen.
7. Het middel faalt.
8. Het tweede middel klaagt dat onbegrijpelijk is dat het Hof bij de berekening van het verkregen voordeel aan de kostenkant heeft meegenomen dat de verdachte voor [medeverdachte] als beloning voor diens hulp in de hennepkwekerij twee maal een reis naar Thailand, in totaal een bedrag van € 3.000, --, heeft betaald. Daartoe wordt aangevoerd dat als het Hof er vanuit wil gaan dat de verdachte een medewerker had, het Hof niet van de 'zwart' gemaakte kosten had moeten uitgaan, maar van de 'witte' kosten die een werkgever heeft op basis van een normaal weeksalaris.
9. Het middel faalt. Dit behoeft geen nadere motivering nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.
10. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 8 juni 1999, LJN ZD1501, NJ 1999, 589.