ECLI:NL:PHR:2010:BM3368
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verjaring en ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij soortgelijke feiten
In deze zaak stond de vraag centraal of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten niet mogelijk is indien de strafvordering voor die feiten wegens verjaring is vervallen. De betrokkene was veroordeeld voor overtredingen van de Flora- en faunawet en had voordeel verkregen uit soortgelijke feiten uit een eerdere periode. Het hof had het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering voor de periode waarin de strafvordering was verjaard.
De Hoge Raad stelt dat deze opvatting onjuist is, omdat noch de tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis een tijdslimiet aan ontneming van voordeel uit soortgelijke feiten stelt. De ontnemingsprocedure maakt deel uit van de strafprocedure, maar leidt tot een afzonderlijke rechterlijke beslissing. De parlementaire geschiedenis toont aan dat de wetgever bewust geen grens in de tijd heeft gesteld aan het voordeel dat ontneming kan betreffen.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en de wetsgeschiedenis waarin is benadrukt dat het ontbreken van een tijdslimiet niet leidt tot een onaanvaardbare positie voor de veroordeelde. Het arrest vernietigt het hofarrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting. De conclusie van de procureur-generaal ondersteunt deze lijn en benadrukt dat de verjaringsbepalingen niet van toepassing zijn op ontnemingsvorderingen voor soortgelijke feiten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug, waarbij wordt bevestigd dat verjaring geen belemmering vormt voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit soortgelijke feiten.