ECLI:NL:PHR:2010:BM3628
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens termijnoverschrijding zonder voldoende motivering
De zaak betreft een niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage, na een veroordeling door de kantonrechter wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof oordeelde dat verdachte niet-ontvankelijk was omdat het hoger beroep te laat was ingesteld, na de wettelijke termijn van veertien dagen.
De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat verdachte tijdig op de hoogte was van de datum van de terechtzitting in eerste aanleg, zoals vereist op grond van art. 408 lid 1 sub c Sv Pro. De Hoge Raad stelde vast dat het hof zich uitsluitend baseerde op een brief van de raadsman waarin werd gesteld dat hij zich stelde in de strafzaak die gepland stond op de zittingsdatum, maar dat dit niet automatisch betekende dat verdachte zelf tijdig op de hoogte was.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet begrijpelijk was vanwege het ontbreken van nadere motivering. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het hoger beroep op de bestaande gronden.
Uitkomst: Het arrest van het hof werd vernietigd wegens onvoldoende motivering van de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep.