ECLI:NL:PHR:2010:BM3687
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Nietigheid dagvaarding in hoger beroep wegens ongeldige betekening
In deze zaak stond de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep centraal. De verdachte was bij verstek veroordeeld door het hof wegens overtreding van de Opiumwet. De dagvaarding in hoger beroep was verzonden naar een adres dat de verdachte bij een eerder politieverhoor had opgegeven, maar waar hij niet woonde.
De Hoge Raad onderzocht of het hof terecht had geoordeeld dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend, ondanks dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats had volgens de gemeentelijke basisadministratie. De verdediging stelde dat het hof ten onrechte had aangenomen dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats had, mede omdat de verdachte op een luchthaven een mededeling van het vonnis had ontvangen en toen een ander adres had opgegeven.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met deze omstandigheden en dat het ontbreken van belangrijke documenten in het dossier niet ten nadele van de verdachte mocht werken. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van het hof omtrent de betekening onjuist was en verklaarde de dagvaarding in hoger beroep nietig.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bepaalde dat de procedure in hoger beroep opnieuw moet worden behandeld, met een correcte betekening van de dagvaarding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig wegens ongeldige betekening.