ECLI:NL:PHR:2010:BM3979
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling exceptio plurium litis consortium en belang bij rechtsvordering in handelsnaam- en merkenrechtgeschil
In deze zaak staat een geschil centraal tussen EDDS en EDSC over de aanspraken op de aanduiding 'EDS' als handelsnaam en merk. EDDS voert het teken sinds 1977 als handelsnaam, terwijl EDSC dit sinds 1979 doet, met oudere merkdepots. De rechtbank stelde EDSC in het gelijk en oordeelde dat EDDS niet had bewezen eerder relevante handelsnaamrechten te voeren.
EDDS stelde hoger beroep in tegen EDSC, maar niet tegen de dochtervennootschap EDSI B.V., die mede-eiseres was in eerste aanleg. EDSC voerde in appel een exceptio plurium litis consortium aan, stellende dat EDDS geen belang meer had bij haar vordering tegen EDSC alleen, omdat het vonnis tegen EDSI B.V. kracht van gewijsde had gekregen.
Het hof verklaarde EDDS niet-ontvankelijk in haar appel wegens het ontbreken van belang en aanvaardde het beroep op de exceptio. In cassatie werd dit bevestigd. De Hoge Raad overwoog dat het leerstuk van de exceptio en het belang bij de vordering nauw samenhangen en dat in deze situatie het voortzetten van de procedure tegen slechts één partij onaanvaardbaar was. Ook het late aanvoeren van het exceptieve verweer was geoorloofd omdat het niet onder de concentratieplicht van art. 128 lid 3 Rv Pro viel.
De Hoge Raad verwierp de klachten en bevestigde het oordeel van het hof dat EDDS niet-ontvankelijk was in haar hoger beroep tegen EDSC, waarmee de procedure werd afgesloten.
Uitkomst: EDDS werd niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen EDSC wegens ontbreken van belang en gegrond beroep op exceptio plurium litis consortium.