ECLI:NL:PHR:2010:BM4095
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat faillissement strafvorderlijk beslag ex art. 94 Sv niet opheft
In deze zaak stond centraal of strafvorderlijk beslag op goederen en geldbedragen van een failliete verdachte vervalt door het faillissement. De rechtbank had het klaagschrift van de curator ongegrond verklaard en geoordeeld dat art. 33 Faillissementswet Pro niet in de weg staat aan beslaglegging ex art. 94 Sv Pro. De curator was belast met beheer van de failliete boedel en vorderde opheffing van het beslag en afgifte van de goederen.
De Hoge Raad bevestigde dat het faillissement het conservatoir beslag ex art. 94a Sv wel doet vervallen, maar het beslag ex art. 94 Sv Pro, dat gericht is op waarheidsvinding en verbeurdverklaring, niet. Dit beslag heeft immers geen verband met de positie van de overheid als schuldeiser. De memorie van toelichting en literatuur steunen dit onderscheid. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het belang van strafvordering het beslag rechtvaardigt, ook al is de verdachte failliet.
Verder werd overwogen dat de curator als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv kan worden aangemerkt, maar dat civielrechtelijke eigendomsrechten niet in de summiere beklagprocedure kunnen worden beoordeeld. In casu bestond er bovendien onenigheid over de eigendom van het geldbedrag. De middelen van cassatie faalden, en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; strafvorderlijk beslag ex art. 94 Sv vervalt niet door faillissement.