ECLI:NL:PHR:2010:BM4139
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van tussentijds hoger beroep tegen incidentele vonnissen in civiele procedure
In deze civiele procedure heeft eiser incidenteel verzocht tot oproeping in vrijwaring van derden en om pleidooi in dat incident. De rechtbank Haarlem wees beide verzoeken bij afzonderlijke vonnissen af. Eiser stelde hiertegen hoger beroep in bij het gerechtshof Amsterdam, dat eiser niet-ontvankelijk verklaarde omdat het ging om tussenvonnissen waarop slechts hoger beroep openstaat tegelijk met het eindvonnis, tenzij anders bepaald.
Eiser voerde aan dat de vonnissen als einduitspraak moesten worden beschouwd omdat in het dictum van het vonnis waarin de oproeping in vrijwaring werd afgewezen een uitdrukkelijk einde aan die vordering werd gemaakt, en dat het vonnis over het pleidooi daarmee verweven was. De Hoge Raad oordeelde echter dat beide vonnissen tussenvonnissen zijn in de hoofdzaak, waarop ingevolge art. 337 lid 2 Rv Pro slechts tussentijds hoger beroep mogelijk is indien de rechter dit uitdrukkelijk toestaat.
Omdat de rechter dat niet had gedaan, was het hoger beroep niet ontvankelijk. Het arrest van het hof maakte geen einde aan het geding over enig deel van het gevorderde, zodat het een tussenarrest betrof waartegen cassatie slechts onder bepaalde omstandigheden openstaat, die hier niet aanwezig waren. Daarom werd de conclusie tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep van eiser gegeven.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van uitdrukkelijke toestemming voor tussentijds hoger beroep tegen tussenvonnissen.