ECLI:NL:PHR:2010:BM4302

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/01783
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 SvArt. 359 lid 3 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste bewijsopgave bij diefstal koperen leidingen en aluminium

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem waarin verdachte is veroordeeld voor meerdere diefstallen, waaronder diefstal van koperen leidingen en aluminium in de gemeente Duiven.

Het hof baseerde de bewezenverklaring van het derde feit op een beperkte opgave van bewijsmiddelen, waaronder een bekennende verklaring van verdachte en verklaringen met betrekking tot diefstal op verschillende adressen en locaties. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van bewijsmiddelen zonder inhoudelijke weergave, wat in strijd is met artikel 342 lid 2 Sv Pro.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betrekking heeft op de bewezenverklaring, strafoplegging, beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. De zaak wordt terugverwezen naar het hof of een ander hof voor hernieuwde berechting en beslissing. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 08/01783
Mr. Vellinga
Zitting: 11 mei 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het gerechtshof te Arnhem heeft verdachte wegens strafbare feiten veroordeeld tot straffen als in het arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.
2. Namens verdachte heeft mr. J.P.A. van Schaik, advocaat te Veenendaal, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het derde feit.
4. Ten aanzien van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat hij;
"hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 juli 2006 tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven (te weten op/aan [adres] nr. 1 en/of 6) telkens tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig goed, geheel of ten dele aan toebehorende aan [A] en/of aan [B] , waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed telkens onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak (de bevestigingen van voornoemde bliksemafleiders werden doorgeknipt/verbroken)."
5. Door het Hof zijn ten aanzien van dit feit vier bewijsmiddelen gebezigd. Daarbij heeft het Hof - afgezien van inhoudelijke weergave van verdachtes bekennende verklaring ter terechtzitting in hoger beroep - volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lid Pro 3, laatste volzin, Sv.
6. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte heeft betrekking op diefstal van aluminium in de periode van 19 juli 2006 tot en met 23 september 2006 in de gemeente Duiven. Twee van de andere door het Hof gebezigde bewijsmiddelen hebben betrekking op diefstal van koperen leidingen op respectievelijk het adres [adres] te Duiven. Voorts heeft het Hof nog als bewijs gebezigd een verklaring van de verdachte dat hij -kort gezegd- bij een bedrijf dat naast een hele grote mast op de [a-straat] te Duiven staat, koperdraad heeft gestolen, en dat hij aluminiumdraad heeft gestolen vanaf een mast die op de kruising van de [b-straat] met de [c-straat] te Duiven staat (geen data en/of namen van gebouwen en/of bedrijven genoemd).
7. De andere bewijsmiddelen bieden dus in elk geval geen steun aan verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaringen voor wat betreft de diefstal van het aluminium. Hetzelfde lijkt te gelden verdachtes verklaring over koperdiefstal(1). Een en ander brengt mee dat het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv Pro is geschonden.(2)
8. Het middel slaagt.
9. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 3 april 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan vierentwintig maanden zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en dient te worden teruggewezen of verwezen.(3)
10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3, voor wat betreft de strafoplegging, voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en voor wat betreft de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Een blik op googlemaps leert dat [adres] 1 en [adres] 6 verschillende panden zijn. Voorts houdt de aangifte t.a.v. [adres] 1 als pleegdatum in 19 juli-21 juli en de pleegdatum in de aangifte t.a.v. [adres] 6 1 september tot 23 september. In de laatstgenoemde verklaring van de verdachte t.a.v. de diefstal van koperen leidingen (bewijsmiddel 11) wordt geen specifiek adres of een datum genoemd.
2 HR 26 januari 2010, LJN: BK2094, NJB 2010, 341.
3 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.