ECLI:NL:PHR:2010:BM4341
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor diefstal medicijnen met oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening
In deze zaak stond de diefstal van medicijnen centraal, die verdachte in december 2006 uit de woning van het slachtoffer heeft weggenomen en vernietigd. Het slachtoffer was niet meer in staat zelfstandig beslissingen te nemen, waarna zijn zwager als bewindvoerder/mentor was aangesteld. Ondanks het contactverbod bleef verdachte zich bemoeien met de medicatie en behandeling van het slachtoffer.
Het hof had verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een contactverbod als bijzondere voorwaarde. Het cassatieberoep richtte zich tegen het contactverbod en het bewezenverklaren van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De Hoge Raad oordeelde dat het contactverbod gegrond was, mede omdat het slachtoffer zelf geen bezwaar had gemaakt en het middel geen feitelijke grondslag had.
Ten aanzien van het oogmerk van toe-eigening stelde de verdediging dat het wegnemen van de medicijnen was bedoeld voor het welzijn van het slachtoffer, wat volgens haar het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uitsloot. De Hoge Raad verwees echter naar vaste jurisprudentie dat het oogmerk van toe-eigening niet vereist dat de dader het goed wil behouden, maar dat het voldoende is dat hij als heer en meester over het goed wil beschikken, ook al is dat tijdelijk of met het oog op vernietiging.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening had vastgesteld op basis van de verklaringen en bewijsmiddelen. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor diefstal met oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening blijft in stand met het contactverbod als bijzondere voorwaarde.