ECLI:NL:PHR:2010:BM4398
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens schending pressieverbod bij politieverhoor en onvoldoende bewijs
De zaak betreft een verdachte die werd verdacht van brandstichting en in hoger beroep werd vrijgesproken door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De verdediging stelde dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege schendingen van het pressieverbod tijdens de politieverhoren.
Het hof stelde vast dat de verhoren van de verdachte op DVD waren opgenomen en woordelijk waren uitgeschreven. Tijdens de verhoren werden suggestieve en sturende vragen gesteld, waarbij herhaaldelijk werd benadrukt dat de verdachte psychisch ziek zou zijn. Dit werd door het hof als ongeoorloofd en in strijd met artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (het pressieverbod) beoordeeld. Hoewel dit geen ernstige schending van de procesorde was, achtte het hof de verklaringen niet bruikbaar als bewijs.
Het enige directe bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bestond uit zijn verklaringen bij de politie, die het hof als onbetrouwbaar beschouwde vanwege de ongeoorloofde verhoormethoden. Er was geen ander bewijs dat de tenlastelegging ondersteunde, waardoor de verdachte werd vrijgesproken.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie. De Hoge Raad benadrukte dat het pressieverbod ook geldt als de verdachte niet bekent, en dat suggestieve en manipulatieve verhoormethoden onrechtmatig zijn. De vrijspraak bleef in stand.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs door schending van het pressieverbod tijdens het politieverhoor.