ECLI:NL:PHR:2010:BM4991

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/02418
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 SvArt. 359 SvArt. 365a SvArt. 415 SvArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op verweer omtrent geldigheid dagvaarding en overschrijding redelijke termijn in cassatie

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarbij verdachte is veroordeeld. Namens verdachte werden twee middelen van cassatie voorgesteld, waaronder een verweer gericht op de nietigheid van de inleidende dagvaarding.

De Hoge Raad constateert dat het hof op het verweer omtrent de geldigheid van de dagvaarding geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven, wat in strijd is met de wettelijke vereisten. Dit verzuim leidt echter niet tot cassatie, omdat het aangevoerde verweer niet tot nietigheid van de dagvaarding kan leiden.

Daarnaast is vastgesteld dat de inzendtermijn voor cassatie met tien dagen is overschreden, wat een schending van de redelijke termijn inhoudt. Desondanks leidt deze overschrijding niet tot vernietiging van het arrest, mede gelet op de zwaarte van de opgelegde straf en de omstandigheden van het geval.

De Hoge Raad besluit het cassatieberoep voor het overige te verwerpen en constateert slechts de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Uitkomst: Cassatieberoep wordt verworpen ondanks formeel verzuim en constatering overschrijding redelijke termijn.

Conclusie

Nr. 08/02418
Mr. Machielse
Zitting 18 mei 2010
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam veroordeeld bij arrest van 29 mei 2008.
2. Namens verdachte heeft mr. H.C. Meijer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ingevolge het bepaalde in art. 358, derde en vijfde lid, Sv en art. 359, tweede en achtste lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro had het hof op het ter terechtzitting van 15 mei 2008 namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer strekkende tot nietigheid van de inleidende dagvaarding op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moeten geven. Nu het hof dit abusievelijk heeft nagelaten, is het eerste middel gegrond. Dat behoeft echter in het onderhavige geval niet tot cassatie te leiden, nu het hof het verweer, op de gronden die door het hof in de aanvulling op het verkort arrest zijn vermeld(1), slechts had kunnen verwerpen.(2)
Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.
4. Zoals door de steller in het tweede middel terecht is aangevoerd, is het arrest in onderhavige zaak niet tijdig aangevuld als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Op grond van art. 365a, derde lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv Pro dient aanvulling van het verkort arrest binnen vier maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel te geschieden. Het niet nakomen van deze termijn leidt echter niet tot nietigheid, noch is er anderszins voorzien in een wettelijke sanctie. (3) In zoverre faalt het tweede middel.
5. In aanmerking genomen dat de steller van het middel er terecht op wijst dat op 2 juni 2008 namens verdachte cassatie is ingesteld en uit de stukken blijkt dat deze eerst op 12 februari 2009 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen, is de maximale inzendtermijn in cassatie met tien dagen overschreden. In zoverre is het tweede middel terecht voorgesteld. Reparatie van deze schending door een voortvarende behandeling behoort niet meer tot de mogelijkheden.
6. Gelet evenwel op de mate waarin de redelijke termijn is geschonden alsmede gelet op de aan verdachte opgelegde straf, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
7. Het tweede middel is gegrond, voorzover het klaagt over schending van de inzendtermijn in cassatie. Dit hoeft echter niet tot vernietiging te leiden. Voor het overige zijn de middelen tevergeefs voorgesteld en kunnen deze naar mijn mening met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen.
8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal volstaan met de vaststelling dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Zie de aanvulling op het verkort arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv onder "Nota bene".
2 Zie bijv. ook HR 13 juni 2000, NJ 2000, 523; HR 13 november 2001, NJ 2002, 233 (profijtontneming) en HR 12 april 2005, LJN AS6095. Ik voeg daaraan toe dat de klacht dat er sprake zou kunnen zijn van een zekere overlapping van de tenlastelegging van feit 1 en 2 niet zal kunnen uitmonden in een nietigverklaring van de inleidende dagvaarding, maar hoogstens in de toepassing van artikel 55 Sr Pro.
3 Vgl. HR 24 maart 1998, NJ 1998, 557.