ECLI:NL:PHR:2010:BM5128

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/00598
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling wegens nieuwe schuld en niet-nakoming afdrachtplicht

In deze zaak heeft het Haagse Hof het vonnis van de Rechtbank bevestigd waarin de schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar is beëindigd. De reden voor deze beëindiging is dat de schuldenaar een nieuwe schuld heeft laten ontstaan en niet heeft voldaan aan de afdrachtplicht, wat volgens het hof wijst op gebrek aan noodzaak voor het aangaan van die schuld.

De schuldenaar heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, met name over de informatieplicht omtrent sollicitaties en medische keuringen, maar het hof heeft zijn oordeel niet op deze punten gebaseerd. Tevens blijkt uit een verslag van de schuldhulpverlener dat er sprake is van gebrek aan medewerking van de schuldenaar.

De Procureur-Generaal concludeert tot verwerping van het cassatieberoep, waarbij wordt opgemerkt dat de gronden waarop het hof zijn oordeel baseert ieder zelfstandig draagkrachtig zijn. Het beroep wordt verworpen met toepassing van artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wegens het laten ontstaan van een nieuwe schuld en het niet voldoen aan de afdrachtplicht.

Conclusie

Reknr. 10/00598
mr J. Spier
Parket 12 april 2010
Conclusie inzake
[Verzoeker 1] en [verzoekster 2]
(hierna: [verzoeker] c.s.)
1. In zijn arrest van 9 februari 2010 heeft het Haagse Hof het vonnis van de Haagse Rechtbank van 10 december 2009 bekrachtigd. In dat vonnis is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] c.s. beëindigd.
2. Blijkens een aantekening in het griffiedossier zou tegen dit arrest op 16 februari 2010 per fax cassatieberoep zijn ingesteld.
3. Het Hof baseert zijn oordeel op een aantal gronden. Deze kunnen 's Hofs oordeel ieder zelfstandig dragen. Nu in cassatie niet wordt bestreden dat [verzoeker] c.s. een nieuwe schuld hebben laten ontstaan, terwijl zij hebben nagelaten relevante inkomsten af te dragen (wat er, zo voeg ik toe, op wijst dat er geen noodzaak bestond om een nieuwe schuld te laten ontstaan) missen de klachten belang. Ten overvloede: (ook) uit het in appel in geding gebrachte verslag van de schuldhulpverlener van de gemeente Voorburg blijkt het gebrek aan medewerking van [verzoeker] c.s. De exegese in het cassatierekest op blz. 3 na "In deze valt op" is naast onbegrijpelijk niet ter zake dienend omdat een en ander bij de mondelinge behandeling ten Hove aan de orde is geweest zodat het Hof met deze stelling rekening kon houden.
4. De klachten die scharnieren om het beweerdelijk hebben voldaan aan de informatieplicht over sollicitaties en medische keuring zien eraan voorbij dat 's Hofs oordeel daarop uitdrukkelijk niet is gebaseerd (rov. 3.5).
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal