ECLI:NL:PHR:2010:BM5150
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-toepasselijkheid artikel 6 lid 1 Wet BOPZ bij voorlopige machtiging psychiatrische opname
Betrokkene, reeds onder psychiatrische behandeling, werd na een incident van zelfverminking in bewaring gesteld en vervolgens werd een voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis aangevraagd door de officier van justitie. De rechtbank verleende deze voorlopige machtiging, ondanks eerdere afwijzingen en bezwaren van betrokkene en diens mentor.
Het cassatieberoep richtte zich op de toepassing van artikel 6 lid 1 Wet Pro BOPZ, dat beperkingen stelt aan het indienen van nieuwe verzoeken binnen een jaar na afwijzing zonder nieuwe feiten. De Hoge Raad stelde vast dat dit artikel niet van toepassing is op autonome verzoeken van de officier van justitie zoals in deze zaak.
Daarnaast werd betoogd dat de rechtbank het grondrecht op vrijheid had geschonden door onvoldoende rekening te houden met de rol van de mentor, die betrokkene zou kunnen motiveren tot vrijwillige behandeling. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank dit verweer begrijpelijk heeft gemotiveerd en dat het oordeel niet in strijd is met de wet of het BW.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de voorlopige machtiging en de onderliggende beslissingen stand hielden.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de voorlopige machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis blijft van kracht.