ECLI:NL:PHR:2010:BM5247
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat Duitse identiteitskaarten als reisdocumenten gelden bij valsheid in geschrifte
In deze zaak stond de vraag centraal of Duitse identiteitskaarten als reisdocumenten in de zin van artikel 231 van Pro het Wetboek van Strafrecht kunnen worden aangemerkt, ook wanneer deze vals of vervalst zijn. Het hof had vastgesteld dat verdachte in het bezit was van meerdere Duitse identiteitskaarten die vals waren, en dat hij medepleegde aan valsheid in geschrifte door het opmaken van valse manurenstaten.
De verdediging voerde aan dat de documenten geen reisdocumenten waren en dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had. De Hoge Raad bevestigde echter het oordeel van het hof, mede op basis van de wetsgeschiedenis en de Europese Overeenkomst betreffende het verkeer van personen tussen lidstaten, waarin de Duitse identiteitskaart als geldig reisdocument wordt genoemd.
Het hof had bovendien vastgesteld dat het ging om zogenaamde fantasiedocumenten die met behulp van digitale technieken waren vervaardigd en moeilijk van echte Duitse reisdocumenten te onderscheiden waren. Dit oordeel werd niet onbegrijpelijk geacht. Ook de vaststelling dat op de manurenstaten namen waren ingevuld die niet overeenkwamen met aanwezige werknemers werd door de Hoge Raad bevestigd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest voor wat betreft de opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar verwierp het beroep voor het overige. De straf werd verminderd naar de gebruikelijke maatstaf, waarbij de veroordeling voor het bezit van valse reisdocumenten en valsheid in geschrifte bleef staan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor bezit van valse Duitse identiteitskaarten als reisdocumenten en valsheid in geschrifte, met strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn.