ECLI:NL:PHR:2010:BM5282
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs wederrechtelijk binnendringen in flat na toegangontzegging
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte zich schuldig had gemaakt aan wederrechtelijk binnendringen in een flat, nadat hem voor een jaar de toegang was ontzegd. De verdachte had op 5 november 2006 een brief ontvangen waarin hem de toegang tot de flat werd ontzegd tot 5 november 2007. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat hij wederrechtelijk in de flat was binnengedrongen, mede omdat de flat niet in gebruik was bij de woningstichting die de vordering had ingesteld.
De Hoge Raad herhaalt dat het begrip 'wederrechtelijk binnendringen' in art. 138 Sr Pro inhoudt dat het betreden van een besloten lokaal strafbaar is indien dit geschiedt tegen de onmiskenbare wil van de rechthebbende. Het hof had een onjuiste uitleg gegeven door te stellen dat de rechthebbende telkens opnieuw moest bepalen dat de verdachte niet welkom was, terwijl een toegangontzegging voor een bepaalde periode volstaat.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het niet kon vaststellen of de rechthebbende op het tijdstip van het binnendringen redelijkerwijs kon bepalen dat de verdachte wederrechtelijk binnendrong. Daarom wordt het arrest vernietigd voor zover het de vrijspraak betreft en wordt de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.