H2
Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep de volgende feiten en omstandigheden zijn gebleken:
a. op maandag 11 september 2006 is er bij het Regionale Milieu Team van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost een telefonische melding binnengekomen dat bij de stal van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), gelegen aan de [a-straat] te [plaats], bermmaaisel zou worden opgeslagen. Het bermmaaisel zou volgens de melding met een vrachtauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] of [AC-00-BB], en voorzien van een plaat met het opschrift "[...]", worden aangevoerd (p. 48 e.v jo p. 68);
b. naar aanleiding van de melding is er op 14 september 2006 een onderzoek ingesteld op het perceel [a-straat 1] te [plaats]. Op het betreffende perceel is een stal gelegen en achter die stal lag een partij maaisel opgeslagen. In de partij maaisel werden resten van houtige/kruidachtige gewassen waargenomen. Over de hele partij verspreid werden plastic verpakkingen van diverse aard en ander zwerfafval waargenomen (p. 48-49);
c. de aangetroffen partij maaisel op het perceel [a-straat 1] te [plaats] had een geschat volume van 1097m3 (p. 49);
d. uit het onderzoek van de politie is gebleken dat [betrokkene 1], werkzaam bij aannemingsbedrijf [A] B.V., bij verdachte vrachten bermmaaisel heeft geleverd (p. 49 jo 68 jo 120-122);
e. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij het bermmaaisel, dat hij bij verdachte loste, op de kale onverharde bodem heeft gelost en dat hij heeft waargenomen dat in dat bermmaaisel zwerfvuil zat (p. 120-122);
f. verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep beaamd dat er (plastic) ongerechtigheden in het bermmaaisel aanwezig waren;
g. uit dagrapporten opgemaakt door voornoemde [betrokkene 1] volgt dat het 45 vrachten verspreid over de periode 25 augustus 2006 tot en met 22 september 2006 betreft (p. 98 t/m 110);
h. voornoemde dagrapporten houden als projectnummer in de nummers 942018, 943081 en 943074 (p. 98 t/m 110);
i. volgens [betrokkene 2], directeur van [A] B.V. en [B] B.V. corresponderen deze projectnummers met projecten aangaande het maaien en onderhouden van bermen in opdracht van Rijkswaterstaat Limburg, Rijkswaterstaat Noord-Brabant en Provincie Limburg (p.41 jo p.45);
j. bij de provincie Limburg en Rijkswaterstaat Limburg door de verbalisanten ingewonnen informatie komt erop neer dat provincie en Rijkswaterstaat, als opdrachtgever, afstand doen van het vrijgekomen materiaal (p. 59-60 jo p.111-119);
k. volgens [betrokkene 2] heeft het bedrijf voor het bermmaaisel uit de regio Zuid-Oost Brabant drie afzetmogelijkheden, te weten composteerder [C] te [plaats], composteerder [D] te [plaats] of een agrariër uit de buurt (p. 41);
l. indien het bermmaaisel aan [C] wordt afgegeven moet daarvoor € 22,- per ton voor worden betaald door het bedrijf van [betrokkene 2] (p.46);
m. volgens [betrokkene 1] heeft hij, [betrokkene 1], in opdracht van [betrokkene 2], het bermmaaisel bij verdachte afgegeven (p. 120-122). Verdachte had daarom gevraagd en heeft het bermmaaisel voor niets gekregen (p. 36-37).