ECLI:NL:PHR:2010:BM5545
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek wegens persoonsverwisseling bij poging tot oplichting
De aanvrager is bij verstek veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot oplichting. Hij verzocht om herziening van het vonnis op grond van persoonsverwisseling, stellende dat zijn broer de feiten heeft gepleegd en daarbij zijn persoonsgegevens gebruikte.
Bij eerdere aanvrage werd dit verzoek afgewezen wegens gebrek aan bewijs dat de broer zich op het moment van de aanhouding van het strafbare feit van de persoonsgegevens van de aanvrager heeft bediend. In de huidige procedure zijn aanvullende stukken overgelegd, waaronder verklaringen van de broer en detentieregistraties.
De Hoge Raad oordeelt dat deze nieuwe stukken niet voldoende aannemelijk maken dat de broer zich op 5 februari 2002, de datum van de aanhouding, heeft uitgegeven voor de aanvrager. De verklaringen betreffen andere data en feiten, en er ontbreekt een rechtstreeks verband met het strafbare feit waarvoor de aanvrager is veroordeeld.
Daarom levert het bewijs geen ernstig vermoeden op dat de aanvrager onterecht is veroordeeld. Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat de rechter bij kennis van deze stukken tot vrijspraak zou zijn gekomen.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.