ECLI:NL:PHR:2010:BM5545

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 mei 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/02413 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens persoonsverwisseling bij poging tot oplichting

De aanvrager is bij verstek veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf wegens medeplegen van poging tot oplichting. Hij verzocht om herziening van het vonnis op grond van persoonsverwisseling, stellende dat zijn broer de feiten heeft gepleegd en daarbij zijn persoonsgegevens gebruikte.

Bij eerdere aanvrage werd dit verzoek afgewezen wegens gebrek aan bewijs dat de broer zich op het moment van de aanhouding van het strafbare feit van de persoonsgegevens van de aanvrager heeft bediend. In de huidige procedure zijn aanvullende stukken overgelegd, waaronder verklaringen van de broer en detentieregistraties.

De Hoge Raad oordeelt dat deze nieuwe stukken niet voldoende aannemelijk maken dat de broer zich op 5 februari 2002, de datum van de aanhouding, heeft uitgegeven voor de aanvrager. De verklaringen betreffen andere data en feiten, en er ontbreekt een rechtstreeks verband met het strafbare feit waarvoor de aanvrager is veroordeeld.

Daarom levert het bewijs geen ernstig vermoeden op dat de aanvrager onterecht is veroordeeld. Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat het niet aannemelijk is dat de rechter bij kennis van deze stukken tot vrijspraak zou zijn gekomen.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonsverwisseling.

Conclusie

Nr. 09/02413 H
Mr. Hofstee
Zitting: 23 maart 2010
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1. Bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 10 april 2002 met parketnummer 09/090388-02, is de aanvrager wegens "medeplegen van poging tot oplichting" bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 weken.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/02412H en 09/02413H. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de aanvrager heeft mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, een aanvrage tot herziening van de genoemde uitspraak ingediend.
4. De aanvrage berust op de stelling dat een ander dan de aanvrager indertijd de bewezenverklaarde feiten heeft begaan en gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aanvrager. Ter ondersteuning van deze stelling wordt verwezen naar verschillende, met documenten onderbouwde, feiten en omstandigheden.
5. In de aanvrage wordt het volgende aangevoerd. Bij de aanhouding ter zake van het onder 1 genoemde feit zou de broer van aanvrager, [betrokkene 1], de personalia van aanvrager hebben opgegeven.
6. Aanvrager heeft met betrekking tot het onder 1 genoemde feit reeds eerder op precies dezelfde gronden een aanvrage tot herziening gedaan.(1) Deze aanvrage is toen door de Hoge Raad afgewezen omdat uit de overgelegde stukken niet bleek dat [betrokkene 1] zich op 5 februari 2002 (ten tijde van de aanhouding terzake van het feit waarvoor herziening wordt aangevraagd) heeft bediend van de persoonsgegevens van de aanvrager.
7. Bij de onderhavige aanvrage zijn deels dezelfde stukken ingebracht. Voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, zijn thans overgelegd:
(i) een fotokopie van een (handgeschreven) verklaring van [betrokkene 1], geboren op 29 augustus 1975, van 21 januari 2002, in welke verklaring hij erkent dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot oplichting, waarvoor zijn broer onder parketnummer 09/092693-00 is veroordeeld. Tevens verklaart [betrokkene 1] in dat schrijven dat hij de persoonsgegevens van zijn broer, [aanvrager], heeft gebruikt toen hij met betrekking tot dit feit door de politie werd ondervraagd, en dat hij vaker gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van aanvrager, onder meer op 1 maart 1998 in Franeker, toen hij aldaar werd aangehouden in verband met diefstal;
(ii) een fotokopie van een aanvullend proces-verbaal van de politie Regio Friesland van 17 juli 1998, onder meer inhoudende een (zakelijk weergegeven) verklaring van [betrokkene 1] van 15 juli 1998 inhoudende dat hij bij zijn aanhouding op 1 maart 1998 ter zake van het onbevoegd ledigen van parkeermeters de naam van zijn broer, [aanvrager], heeft opgegeven;
(iii) een fotokopie van een proces-verbaal van bevindingen van de politie Haaglanden van 10 april 2009, onder meer inhoudende een (zakelijk weergegeven) verklaring van [betrokkene 1] van 23 maart 2009 inhoudende dat zijn broertje, [aanvrager], ten onrechte een celstraf van vijf weken uitzit, dat hij zichzelf voor zijn broertje had uitgegeven, dat hij het feit heeft begaan waarvoor zijn broertje in de gevangenis zit en dat hij zeker weet dat de celstraf welke zijn broertje uitzit een celstraf is welke hij uit moet zitten, omdat hij een valse naam had gebruikt;
(iv) een fotokopie van een brief d.d. 24 april 2009 van de Penitentiaire Inrichtingen Midden Holland, waaruit blijkt dat [aanvrager] in de periode van 12 maart 2009 tot en met 8 april 2009 in detentie heeft gezeten voor het feit met parketnummer 09/092693-00, en twee dagen (9 en 10 april 2009) ingesloten is geweest op een ander parketnummer;
(v) een fotokopie van het bewijs van ontslag d.d. 8 april 2009, waaruit blijkt dat [aanvrager] in de periode van 12 maart 2009 tot en met 8 april 2009 in detentie heeft gezeten voor het feit met parketnummer 09/092693-00.
8. De stukken (i) en (ii) zijn dezelfde welke reeds bij de eerdere aanvrage tot herziening werden overgelegd. Thans zijn daaraan toegevoegd de bescheiden (iii), (iv) en (v). Daaronder bevindt zich dus de in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerde verklaring van [betrokkene 1] van 23 maart 2009. Deze verklaring ziet echter niet op het feit ten aanzien waarvan herziening wordt aangevraagd. [Betrokkene 1] verklaart immers - kort gezegd - dat zijn broertje op dat moment een straf uitzit, die hij zou moeten uitzitten, omdat hij tijdens zijn aanhouding de persoonsgegevens van zijn broertje, [aanvrager], zou hebben opgegeven. Uit de hiervoor onder (iv) genoemde brief d.d. 24 april 2009 van de Penitentiaire Inrichtingen Midden Holland en het hiervoor onder (v) aangehaalde bewijs van ontslag blijkt dat [aanvrager] op 23 maart 2009 in detentie heeft gezeten voor de zaak met parketnummer 09/092693-00.
9. De aanhouding terzake van het onderhavige feit heeft plaatsgevonden op 5 februari 2002. Uit de stukken blijkt enkel dat [betrokkene 1] zich naar zijn zeggen meerdere keren heeft uitgegeven voor zijn broer, [aanvrager], zoals op 1 maart 1998 en terzake van het strafbare feit met parketnummer 09/092693-00. Uit de stukken blijkt echter niet dat [betrokkene 1] op 5 februari 2002 de persoonsgegevens van aanvrager heeft gebruikt. Op grond hiervan ben ik van oordeel dat de overgelegde stukken niet geacht kunnen worden om het ernstige vermoeden op te leveren dat de rechter aanvrager zou hebben vrijgesproken als hij van deze stukken op de hoogte was geweest, en dat het herzieningsverzoek ter zake van dit feit wederom moet worden afgewezen.
10. Deze conclusie strekt ertoe dat de aanvrage tot herziening zal worden afgewezen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 9 december 2008, LJN: BG6318