ECLI:NL:PHR:2010:BM5703
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling draagkracht alimentatieplichtige bij investering in woning en weiland
De zaak betreft een geschil over de draagkracht van een alimentatieplichtige vader die een groot deel van zijn vermogen heeft geïnvesteerd in de aankoop van een woning en een weiland, en hypothecaire leningen is aangegaan. De vrouw vordert een hogere kinderalimentatie, terwijl de man een verlaging vraagt.
De rechtbank stelde de alimentatie vast op een bepaald bedrag, maar het hof in hoger beroep verlaagde dit aanzienlijk, waarbij het oordeelde dat het vermogen van de man niet liquide is en daarom niet meetelt voor de draagkracht. Het hof vond dat de man niet verplicht kon worden zijn woning en weiland te verkopen, en corrigeerde de woonlasten tot een redelijke 33,3% van het besteedbaar inkomen.
De vrouw stelde cassatie in tegen het oordeel van het hof, stellende dat het vermogen wel degelijk in aanmerking genomen moet worden en dat de investeringen onredelijk waren. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het niet-liquide vermogen onder de omstandigheden niet meetelt, dat het hof de stellingen van de vrouw voldoende heeft gemotiveerd weerlegd, en dat de correctie van woonlasten adequaat was.
De Hoge Raad verwierp de klachten en bevestigde dat bij de draagkrachtbepaling niet alleen gekeken wordt naar het vermogen waarover iemand beschikt, maar ook naar wat redelijkerwijs beschikbaar had kunnen zijn, en dat investeringen in een woning niet automatisch leiden tot een lagere draagkracht als dit redelijk is in verhouding tot de onderhoudsplicht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof over de draagkracht en woonlasten wordt bekrachtigd.