ECLI:NL:PHR:2010:BM5706
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoeken tot voeging in cassatieprocedure onteigeningszaak
In deze cassatieprocedure tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht over vervroegde onteigening en schadeloosstelling heeft de Hoge Raad geoordeeld over de ontvankelijkheid van verzoeken tot voeging. Verzoekers in het incident hadden bij de Hoge Raad verzocht om zich te voegen aan de zijde van eisers in de hoofdzaak op grond van art. 3 lid 2 van Pro de Onteigeningswet.
De Hoge Raad stelt vast dat art. 3 lid 2 Onteigeningswet Pro niet ziet op voeging, maar op tussenkomst. Omdat in cassatie geen plaats is voor tussenkomst, kunnen verzoeken die hierop zijn gebaseerd niet worden ontvangen. Ook als deze verzoeken worden opgevat als verzoeken tot voeging op grond van art. 217 Rv Pro, zijn zij niet ontvankelijk. Uit het stelsel van de Onteigeningswet en de aard van het onteigeningsgeding volgt dat voeging niet is toegestaan.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en literatuur die bevestigen dat de positie van derden in onteigeningsprocedures specifiek en uitputtend is geregeld in art. 3 lid 2 Onteigeningswet Pro, waardoor algemene procesrechtelijke regels over voeging niet van toepassing zijn. De verzoeken tot voeging worden daarom niet-ontvankelijk verklaard en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor voortprocederen.
Uitkomst: Verzoeken tot voeging in cassatie op grond van art. 3 lid 2 Onteigeningswet worden niet-ontvankelijk verklaard.