ECLI:NL:PHR:2010:BM5706

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01632
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 2 OnteigeningswetArt. 217 RvArt. 219 RvArt. 225 lid 1 RvArt. 2 Onteigeningswet
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoeken tot voeging in cassatieprocedure onteigeningszaak

In deze cassatieprocedure tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht over vervroegde onteigening en schadeloosstelling heeft de Hoge Raad geoordeeld over de ontvankelijkheid van verzoeken tot voeging. Verzoekers in het incident hadden bij de Hoge Raad verzocht om zich te voegen aan de zijde van eisers in de hoofdzaak op grond van art. 3 lid 2 van Pro de Onteigeningswet.

De Hoge Raad stelt vast dat art. 3 lid 2 Onteigeningswet Pro niet ziet op voeging, maar op tussenkomst. Omdat in cassatie geen plaats is voor tussenkomst, kunnen verzoeken die hierop zijn gebaseerd niet worden ontvangen. Ook als deze verzoeken worden opgevat als verzoeken tot voeging op grond van art. 217 Rv Pro, zijn zij niet ontvankelijk. Uit het stelsel van de Onteigeningswet en de aard van het onteigeningsgeding volgt dat voeging niet is toegestaan.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en literatuur die bevestigen dat de positie van derden in onteigeningsprocedures specifiek en uitputtend is geregeld in art. 3 lid 2 Onteigeningswet Pro, waardoor algemene procesrechtelijke regels over voeging niet van toepassing zijn. De verzoeken tot voeging worden daarom niet-ontvankelijk verklaard en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor voortprocederen.

Uitkomst: Verzoeken tot voeging in cassatie op grond van art. 3 lid 2 Onteigeningswet worden niet-ontvankelijk verklaard.

Conclusie

09/01632
Mr L. Strikwerda
Zt. 21 mei 2010
conclusie inzake incidentele vordering tot voeging van
A.1. [Verzoeker 1 = eiser 3]
A.2. [Verzoekster 2],
A.3. [Verzoeker 3]
A.4. [Verzoekster 4]
en
B. Latrusco N.V.
en
C.1. [Verzoeker 6 = eiser 1]
C.2. [Verzoekster 7]
in de hoofdzaak van
1. [Eiser 1]
2. [Eiseres 2]
3. [Eiser 3]
tegen
Gemeente Heerlen
Edelhoogachtbaar College,
1. Thans eisers tot cassatie in de hoofdzaak, hierna: [eiser] c.s., zijn (tijdig) in cassatie gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Maastricht van 25 maart 2009, waarbij op vordering van thans verweerster in cassatie in de hoofdzaak, hierna: de Gemeente, onder meer - kort gezegd - de vervroegde onteigening van enige, in het vonnis nader omschreven percelen is uitgesproken en voorschotten op de schadeloosstellingen zijn bepaald.
2. De Gemeente heeft van antwoord gediend en geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Vervolgens hebben [eiser] c.s. ter rolle op de voet van art. 225 lid Pro 1, aanhef en onder c, Rv schorsing van het geding ingeroepen. Nadat de Gemeente de gestelde schorsing had bestreden, heeft de Hoge Raad bij rolbeschikking van 12 februari 2010, NJ 2010, 98, verstaan dat het geding niet is geschorst en bepaald dat de zaak weer zal worden uitgeroepen ter rolle voor schriftelijke toelichting in de hoofdzaak.
4. Nadat de zaak weer ter rolle was uitgeroepen, hebben verzoekers in het incident bij drie incidentele conclusies "tot voeging inzake vervroegde onteigening ex art. 3 lid 2 Ow Pro" de Hoge Raad verzocht hen toe te staan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [eiser] c.s.
5. De Gemeente heeft bij conclusie in de incidenten tot voeging de verzoeken tot voeging bestreden en geconcludeerd tot verwerping van (alle drie) de verzoeken.
6. Vervolgens zijn stukken gefourneerd voor arrest in het incident tot voeging.
7. Blijkens de aanhef van de incidentele conclusies zijn de verzoeken tot voeging gegrond op art. 3 lid 2 Onteigeningswet Pro (Ow). Art. 3 lid 2 Ow Pro heeft niet betrekking op voeging maar op tussenkomst. Voor zover de incidentele conclusies aldus begrepen moeten worden dat deze ertoe strekken dat verzoekers in het incident tussenkomst in de hoofdzaak wordt toegestaan, kunnen verzoekers in het incident in hun verzoeken niet worden ontvangen. In een cassatieprocedure is geen plaats voor een verzoek tot tussenkomst. Vgl. HR 16 juni 2000, NJ 2000, 516, en HR 14 maart 2008, NJ 2008, 168. Zie ook Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), blz. 328; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, blz. 107.
8. Voor zover de incidentele conclusies begrepen moeten worden als een verzoek tot voeging als bedoeld in art. 217 Rv Pro, kunnen verzoekers in het incident op grond van het volgende evenmin in hun verzoek worden ontvangen.
9. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn ingevolge art. 2 Ow Pro op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij de Ow niet is afgeweken. De afwijking kan blijken uit een uitdrukkelijke voorziening in de Ow, maar ook voortvloeien uit het stelsel der wet of uit de aard van het onteigeningsgeding. Vgl. de eerder in deze zaak door de Hoge Raad gegeven rolbeschikking van 12 februari 2010 (conlusie A-G onder 5 met gegevens).
10. Ten aanzien van de bepaling inzake voeging van art. 219 Rv Pro treft men in de Ow geen afwijkende voorziening aan. Niettemin moet m.i. worden aangenomen dat uit het stelsel der wet en ook uit de aard van het onteigeningsgeding voortvloeit dat voor toepassing van die bepaling geen plaats is. Al aangenomen dat in een onteigeningsgeding zich belang bij of behoefte aan voeging kan voordoen (vgl. Kluwers Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, losbl., I, §3, sub e), vindt de positie van derden belanghebbenden in het onteigeningsgeding een bijzondere en uitputtende regeling in art. 3 lid 2 Ow Pro, die geen ruimte laat voor toepassing van art. 217 Rv Pro.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in het incident in hun verzoek en tot verwijzing van de hoofdzaak naar de rol voor voortprocederen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,