ECLI:NL:PHR:2010:BM5707
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verkrijging eigendom strook grond door extinctieve verjaring en erfdienstbaarheid niet erkend
In deze zaak staat de eigendom van een strook grond tussen twee percelen centraal, waarbij partijen buren zijn. De eiser vordert eigendom van de strook grond door extinctieve verjaring, al dan niet op grond van oude of nieuwe wettelijke bepalingen, en subsidiair verkrijging van een erfdienstbaarheid.
De rechtbank en het gerechtshof hebben de strook verdeeld in delen en geoordeeld dat de eiser eigenaar is geworden van een klein deel van de strook door verjaring, maar niet van het overige deel. Het hof oordeelde dat de eiser niet te goeder trouw was met betrekking tot het grootste deel van de strook, mede vanwege het gebruik door de vorige eigenaar van de verweerder en de erkenning door de eiser van het eigendomsrecht van de verweerder.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de eiser en bevestigt het oordeel van het hof. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de eiser zich niet met succes kan beroepen op verkrijgende verjaring voor het grootste deel van de strook, noch op verjaring van een erfdienstbaarheid. De erkenning van het eigendomsrecht van de verweerder door de eiser in 1990 heeft de verjaring gestuit. Het hof heeft zijn oordeel voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk geoordeeld.
Uitkomst: Eiser is eigenaar van slechts een klein deel van de strook grond door extinctieve verjaring; overige aanspraken worden afgewezen.