ECLI:NL:PHR:2010:BM5810
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzetstermijn bij bijstandsverhaal op grond van oude Algemene Bijstandswet
De zaak betreft een geschil tussen een man en de gemeente Amsterdam over de vraag of de man tijdig verzet heeft ingesteld tegen een verhaalsbesluit op grond van de oude Algemene Bijstandswet (Abw). De man was verplicht alimentatie te betalen aan zijn ex-echtgenote, en de gemeente stelde een verhaalsbijdrage vast die zij op de man wilde verhalen.
Na betekening van de verhaalsmededeling door een gerechtsdeurwaarder op het woonadres van de man, stelde deze verzet in bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het verzet niet-ontvankelijk omdat het niet binnen de wettelijke termijn van dertig dagen was ingediend. Het hof bekrachtigde deze beslissing en verwierp het beroep van de man dat de termijn pas zou lopen vanaf een latere datum waarop hij bekendheid met het exploot had genomen.
De Hoge Raad bevestigt dat de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing zijn op verhaalsvorderingen en dat de betekening op het woonadres van de man rechtsgeldig is. Het verzet moet binnen de termijn van art. 96 lid 3 Abw Pro worden ingediend, en de procedure is een verzoekschriftprocedure waarbij art. 143 Rv Pro, die ziet op verzet tegen veroordelingen bij verstek, niet van toepassing is.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof dat het verzet van de man niet tijdig was ingediend en dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzet tegen het verhaalsbesluit.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzet tegen het verhaalsbesluit wordt als niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.