1.12. De samenvatting van het rapport luidt als volgt:
"Voor veel IT- en IT-gerelateerde bedrijven zijn de jaren voorafgaande aan het millennium euforische jaren geweest van snelle opkomst, moeiteloos verkregen bankkredieten en spectaculaire successen, te danken aan een voor de branche uitzonderlijk gunstig economisch klimaat. Dat klimaat duurde tot ongeveer de zomer van 2000. Toen sloeg het om in zijn tegendeel. Veel IT bedrijven die tot dan succesvol waren geweest, althans hadden geleken, bleken tegen die omslag niet bestand. LCI was, met het Smartpen project, een van die bedrijven.
Het beursgenoteerde LCI bestond uit twee onderdelen, waarvan het eerste een verzameling was van enige tientallen in snel tempo tegen betaling in - grotendeels - aandelen LCI op earn out basis en zonder adequate due diligence geacquireerde IT- ondernemingen in binnen- en buitenland, voornamelijk in Oostenrijk. Een uitzondering was het te Wenen gevestigde CCW, geen IT-bedrijf, maar een bedrijf dat zich bezig hield met fabricage en assemblage, een voor LCI totaal onbekend terrein. De earn out basis bracht mee dat de directeur/voormalige eigenaar van een geacquireerde werkmaatschappij op het punt van dividenduitkering een belang had tegengesteld aan dat van de holding. Op holdingniveau werd aan bewaking van de geacquireerde werkmaatschappijen nagenoeg niets gedaan. Dat kon ook niet, omdat de staf van de holding tot in 2000 bleef bestaan uit niet meer dan vier man. Van een managementstructuur meegegroeid met de groei van de groep, was geen sprake. De op stand alone basis door middel van locale bankkredieten gefinancierde en door hun locale accountants gecontroleerde werkmaatschappijen bleven ook na de eigendomsovergang practisch geheel autonoom. Op holdingniveau werd niet meer gezien dan, op basis van de door de werkmaatschappijen gepresenteerde cijfers, een jaarlijks met ongeveer 40% stijgende winst. De stand alone basis is doorbroken door solvabiliteitsgaranties ("Patronatserklärungen") die LCI ten behoeve van de werkmaatschappijen heeft verstrekt. In totaal bleek daarmee achteraf een aansprakelijkheid ten bedrage van rond Eur 50 miljoen te zijn gemoeid.
Het tweede onderdeel van LCI was een nog niet geheel uitontwikkeld product, de Smartpen. LCI was niet groot en bij lange na niet financieel sterk genoeg om de uitontwikkeling en vermarkting van de pen op eigen kracht tot een goed einde te brengen. Er werd gezocht, zij het ongestructureerd, naar een potentiële klant of partner die bereid zou zijn te investeren in de voor de uitontwikkeling noodzakelijke grootschalige, vele miljoenen vergende, tests. Die potentiële klant en die partner zijn niet gevonden. De ontwikkeling van de pen is bij gebrek aan financiële middelen in de testfase blijven steken.
Inmiddels was LCI's cashflow zorgwekkend negatief en het Smartpen project cashverslindend. Er moest zeer aanzienlijke financiering komen ten einde, in afwachting van het vinden van een partner, het project op eigen kracht in leven te houden. Temporiseren van het project in afwachting van het vinden van een partner werd beschouwd als "het uittrekken van de stekker" (verlies van voorsprong op de concurrentie, het vertrek van sleutelfiguren, etc).
Voor de benodigde financiering werd gedacht aan een gang, in verschillende etappes, naar Nasdaq, waarvoor het klimaat sinds de zomer van 2000 allengs ongunstiger was geworden. Bovendien was een handicap dat het nog niet uitontwikkelde product (de pen was nog niet klaar voor productie van enige omvang) geen track record had. Het waarborgen van de noodzakelijke intellectuele eigendomsrechten - een van de eerste aspecten waar een geïnteresseerde partij naar zal vragen - was niet op orde. Of onder deze omstandigheden het aantrekken van financiering - en daarmee de haalbaarheid van het project - nog een reeële verwachting kon worden genoemd, was minstgenomen zéér de vraag. Desondanks bleef LCI doorgaan met aanzienlijke investeringen in Smartpen, in het jaar voorafgaande aan het faillissement ongeveer 1 miljoen Euro per maand, bancair gefinancierd.
Het zoeken naar een partner en het streven naar een beursgang is onprofessioneel en ongestructureerd gebeurd. Er is niets van terechtgekomen. Inmiddels was de beurskoers van LCI in elkaar gestort (zoals de beurskoers van de meeste, zo niet alle, IT-ondernemingen in Nederland en aan de Nasdaq, de IT-bubbel was gebarsten) en had LCI een grootschalige fraude in Oostenrijk aan zijn financiers moeten melden. Dat had, de uit het jaarverslag 2000/01 sprekende zelfverzekerdheid van LCI ten spijt, de houding van de banken tegenover LCI totaal doen veranderen. ING heeft begin september 2001 een onderzoek bij LCI ingesteld en de financiële positie van LCI als "extremely critical" beschouwd. Binnen twee maanden volgden de surséance en het faillissement van LCI en de meeste dochtervennootschappen. De toestand van de boedels was zodanig dat aan de crediteuren geen enkele uitkering kon worden gedaan.
Gedurende de onderzoeksperiode tot aan de vooravond van de surséance heeft LCI onder de éénhoofdige leiding van de directeur [verweerder] gestaan. De commissarissen zijn reeds kort na hun aantreden tot de overtuiging gekomen dat het staan van LCI onder de eenhoofdige leiding van [verweerder], onaanvaardbaar was. Zij hebben gestreefd naar verbreding van de directie en daarmee naar vermindering van hun afhankelijkheid van [verweerder]. Door [verweerder]'s positie in het bestuur van de Stichting Prioriteit LCI kon hij die verbreding tegenhouden en daar heeft hij misbruik van gemaakt. Van oordeel dat een LCI beschadigend conflict het grootste van twee kwaden was, hebben de commissarissen, voorlopig en hopend op een gunstige wending, de huns inziens onaanvaardbare situatie dat de directie slechts bestond uit [verweerder], geaccepteerd. Zij hebben daarmee een grotere verantwoordelijkheid en betrokkenheid op zich genomen dan in het geval dat zij erop mochten vertrouwen dat de directie van LCI adequaat was bemand.
[Verweerder] was in de periode van LCI's spectaculaire groei niet mee-ontwikkeld van een succesvol opbouw-ondernemer tot een evenwichtig bestuurder. Ondanks het uitblijven van de voor de haalbaarheid van het Smartpen project noodzakelijke partner en financiering, heeft hij tot aan de vooravond van de surséance de commissarissen, die een totaal verkeerd beeld hadden van de LCI ter beschikking staande credietruimte, weten te overtuigen dat doorgegaan moest worden met het investeren in Smartpen en dat er voldoende hoopgevende signalen uit de markt bleven komen om dat verantwoord te doen zijn. [Verweerder] was niet gewend aan, en niet gediend van, inmenging door de commissarissen. Hij lichtte de commissarissen niet verder, en niet eerder, in dan het hem uitkwam. In het afgeven van Patronatserklärungen, bij voorbeeld, heeft hij de commissarissen niet gekend. Net als [verweerder]'s uitlatingen in Beursplein 5 in maart 2000 over het miljardenbedrijf dat hij zo snel als hij kon van LCI zou maken en over binnen anderhalf jaar met meerdere bedrijven naar de beurs gaan, is zijn tot het bittere einde, tegen alle negatieve factoren in, vasthouden aan zijn geloof in de haalbaarheid van het Smartpen project, moeilijk rationeel te verklaren.
Op papier was de samenstelling van de in 1998/99 nieuw bemande Raad van Commissarissen adequaat. Aan toewijding heeft het de commissarissen niet ontbroken. Nochtans hebben de commissarissen de ondergang van LCI niet tijdig kunnen afbuigen naar een enigszins zachte landing. Waar het de commissarissen aan heeft ontbroken, is de juiste mate van assertiviteit, waarmee een Raad van Commissarissen zo nodig zijn prerogatieven door de directie doet respecteren en zich daarmee het adequaat functioneren mogelijk maakt. Omstandigheden waarover de commissarissen geen controle hadden, zoals de omslag in de IT markt, en omstandigheden waarvan de commissarissen te laat op de hoogte kwamen, zoals de Oostenrijkse fraude, hebben LCI in grote problemen terecht doen komen. Maar dat de commissarissen de bij die problemen passende (nood)maatregelen niet tijdig hebben trachten te bewerkstelligen, heeft gelegen aan hun houding ten opzichte van [verweerder], die het vertrouwen van de commissarissen in de haalbaarheid van het Smartpen project met hoopgevende, door de commissarissen niet gecontroleerde, berichten in stand wist te houden. Daarbij speelde een rol, in de woorden van een der commissarissen, "de sensitiviteit van mogelijke kritiek van commissarissen op een directeur met toch wel een heel mooi trackrecord".
Dat LCI van Smartpen als "bleeder" afmoest is pas enkele dagen voor de surséance tot de commissarissen doorgedrongen. Dat LCI van [verweerder] afmoest waren de commissarissen zich al eerder bewust. Maar de commissarissen hadden tot het laatst toe de illusie dat LCI Smartpen spoedig van LCI zou worden afgesplitst en dat [verweerder] dan met LCI Smartpen zou meegaan.
De opstelling van [verweerder] tegenover de Raad van Commissarissen is deloyaal geweest. Hij heeft de Raad vitale informatie onthouden en heeft het door de commissarissen in zijn geloofwaardigheid gestelde vertrouwen misbruikt door hen over vooruitzichten op reddingbrengende financiering onrealistisch voor te lichten. De commissarissen van hun kant hebben dat vertrouwen lichtvaardig gegeven en hebben, door de door [verweerder] gegeven voorlichting niet te controleren en/of door deskundigen te doen evalueren, nagelaten de vervulling van hun toezichthoudende taak op dit punt aan te passen aan de ernst van de situatie en het cruciale belang van hetgeen waarover [verweerder] rapporteerde. Kort gezegd hebben [verweerder] en de Raad van Commissarissen met name in de periode na de eerste helft van 2000 in hun onderlinge verhouding gedisfunctioneerd.
In de Jaarrekening 2000/01 zijn de ingrijpende, zo niet fatale, gevolgen van een grootschalige fraude bij de Oostenrijkse dochtervennootschappen niet meegenomen. De ten behoeve van de werkmaatschappijen afgegeven solvabiliteitsgaranties worden niet vermeld. Deze twee omstandigheden alleen reeds betekenen dat de jaarrekening geen enkel houvast biedt voor de beoordeling van het resultaat van het afgelopen boekjaar en de omvang van LCI's vermogen. Van twijfel aan de continuïteit wordt ten onrechte geen blijk gegeven. De voorspelling van winstverdubbeling is ongerechtvaardigde bravoure. Een winstwaarschuwing was meer op zijn plaats geweest. De vermelding dat Smartpen op het punt van een commerciële doorbraak staat moet volgens de opsteller van het jaarverslag niet letterlijk worden genomen. Ook van deze vermelding had het tegendeel de situatie juister weergegeven. De stelligheid waarmee in het jaarverslag wordt gesproken over een beursgang en verzekerd toekomstig succes van Smartpen, was op niets gebaseerd, zo niet tegen beter weten in gedaan.
De ondergang van LCI is in de eerste plaats veroorzaakt door de grootschalige fraude bij de Oostenrijkse dochtervennootschappen. Van de door die dochtervennootschappen gepresenteerde winst bleek een groot gedeelte gefingeerd. In plaats van een solide achtergrond waar de banken vertrouwen in stelden en een bron waaruit LCI desgewenst aanzienlijke dividenden zou kunnen opnemen, bleken de dochtervennootschappen een bodemloze put die krachtens afgegeven Patronatserklärungen door LCI moest worden gedempt.
De zeer aanzienlijke investeringen in Smartpen zijn een bedreiging voor de continuïteit van LCI gaan vormen. LCI is in een ongunstig geworden markt blijven doorgaan met die investeringen zonder enig concreet uitzicht op een partner of financiering en derhalve zonder enige redelijk gefundeerde verwachting dat het project tenslotte realiseerbaar zou blijken en de geïnvesteerde bedragen zouden kunnen worden terugverdiend. De pijnlijke beslissing om bij het keren van het tij de bakens te verzetten, het project te stoppen, verlies te nemen en te trachten van LCI te redden wat er te redden viel, is te moeilijk gebleken. Het beleid van blijven hopen dat de noodzakelijke partner en financiering zouden worden gevonden voordat LCI aan het eind van haar mogelijkheden zou zijn gekomen, is ten opzichte van het stoppen van het project kennelijk beschouwd als de minste van twee kwaden. En zo is tenslotte met Smartpen Eur 20 miljoen verloren gegaan."