ECLI:NL:PHR:2010:BM6082
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Overgang conservatoir derdenbeslag in executoriaal beslag bij verschillende hoofdprocedures
In deze zaak stond centraal of een conservatoir derdenbeslag, gelegd onder een derde-beslagene, overgaat in een executoriaal derdenbeslag indien de executoriale titel niet in de bodemprocedure is verkregen, maar in een kort gedingprocedure die na de termijn van de verlofbeschikking is ingesteld. DVO legde conservatoir derdenbeslag onder DHV ter verzekering van een vordering op UTC. Binnen de termijn van veertien dagen na het beslag stelde DVO een bodemprocedure in, maar verkreeg de executoriale titel pas in een kort geding in reconventie, ingesteld na die termijn.
De Hoge Raad bevestigde dat het conservatoir beslag rechtsgeldig was gelegd en dat de eis in reconventie in het kort geding als eis in de hoofdzaak kan worden aangemerkt. Hierdoor kon het conservatoir beslag overgaan in executoriaal beslag krachtens artikel 704 lid 1 Rv Pro. De Raad benadrukte dat het niet noodzakelijk is dat de executoriale titel uit dezelfde procedure komt als waarin de eis binnen de termijn is ingesteld, zolang het om dezelfde vordering gaat.
Daarnaast werd geoordeeld dat het pandrecht van HCB, gevestigd na de beslaglegging, geen werking heeft tegen het conservatoir beslag vanwege de blokkerende werking van artikel 475h lid 1 Rv. De betaling door DHV aan DVO was bevrijdend, omdat het beslag executoriaal was geworden. Het cassatieberoep van HCB werd verworpen, waarmee het hofarrest werd bekrachtigd.
Deze uitspraak verduidelijkt de interpretatie van de term 'hoofdzaak' in het beslagrecht en bevestigt dat zowel kort geding als bodemprocedure als hoofdzaak kunnen gelden voor de overgang van conservatoir naar executoriaal beslag, mits een executoriale titel wordt verkregen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van HCB wordt verworpen; het conservatoir derdenbeslag is overgegaan in executoriaal beslag door de executoriale titel uit het kort geding.