ECLI:NL:PHR:2010:BM6084

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/00157
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 lid 3 LandinrichtingswetArt. 182 lid 3 Landinrichtingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling stankhindercirkel en niet-agrarische meerwaarde bij ruilverkaveling Wymbritseradeel

In deze zaak staat de bepaling van de niet-agrarische meerwaarde en de toepassing van de stankhindercirkel bij een ruilverkaveling centraal. Eisers, belanghebbenden in de ruilverkaveling Wymbritseradeel, maakten bezwaar tegen de lijst der geldelijke regelingen, met name tegen het niet toekennen van een post niet-agrarische meerwaarde. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en een verrekenpost opgenomen ten gunste van reclamante.

De kern van het geschil betrof de vraag of de stankhindercirkel moest worden gemeten vanaf het emissiepunt van het agrarische bedrijf of vanaf de grens van het aangegeven bouwvlak. De rechtbank koos voor het emissiepunt als meetpunt, omdat op het perceel van eiser geen uitbreidingsmogelijkheden waren. Dit oordeel werd ondersteund door taxatierapporten en situatietekeningen.

De Hoge Raad bevestigt de vaste jurisprudentie dat in beginsel de grens van het bouwvlak als meetpunt geldt, maar dat hiervan kan worden afgeweken indien het bedrijf geen reële uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van de rechtbank inzake de stankhindercirkel en niet-agrarische meerwaarde blijft in stand.

Conclusie

Zaaknr. 09/00157
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 28 mei 2010
Conclusie inzake:
1. [Eiser 1]
2. de rechtspersoon naar kerkelijk recht Pastorie der Hervormde Gemeente Nijland
tegen
de Landinrichtingscommissie in de ruilverkaveling "Wymbritseradeel"
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Eisers tot cassatie, [eiser 1] en de pastorie (hierna gezamenlijk: [eiser] c.s.), zijn belanghebbenden in de ruilverkaveling Wymbritseradeel. Aan [eiser 1] is een deel (0.80.61 ha) van de kavel, kadastraal bekend [a-straat 1] met een oppervlakte van 2.78.00 ha, toebedeeld. Een deel van 1.97.39 ha is naar de pastorie gegaan. Genoemd kavel is de inbrengkavel van [betrokkene 1], hierna: reclamante, aan de noordzijde van het dorp [plaats].
1.2 Ten tijde van de peildatum, september 2001, had de grond een onbebouwde, agrarische bestemming(2).
1.3 Reclamante heeft bezwaar gemaakt tegen de lijst der geldelijke regelingen, opgemaakt door verweerster in cassatie, hierna: de Landinrichtingscommissie, in verband met het niet toekennen van een post "niet-agrarische meerwaarde."
1.4 Na behandeling door de Landinrichtingscommissie, waarbij het bezwaar niet is opgelost, heeft de rechter-commissaris de zaak ter zitting van 3 september 2008 in aanwezigheid van reclamante en [eiser] c.s. behandeld. Ook de rechter-commissaris heeft partijen niet kunnen verenigen en heeft de zaak verwezen naar de meervoudige ruilverkavelingskamer van de rechtbank te Leeuwarden.
1.5 De rechtbank heeft het bezwaar ter zitting van 3 oktober 2008 behandeld. Daarbij hebben mr. P. Stehouwer namens reclamante, mr. H.J.W. Leenen namens de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, de Landinrichtingscommissie en de ingenieur van het Kadaster alsmede ing. S.A. Bruinsma namens [eiser] c.s. het woord gevoerd. Alle sprekers hebben pleitnotities overgelegd.
1.6 Bij vonnis van 12 november 2008 heeft de rechtbank het bezwaar gegrond verklaard en met afwijzing van het meer of anders gevorderde bepaald dat de lijst der geldelijke regelingen aldus wordt aangepast dat ten gunste van reclamante een verrekenpost "niet-agrarische meerwaarde" wordt opgenomen van € 13.900,- (2.78.00 ha x € 0,50), en dat de lijsten der geldelijke regelingen van de opkomende eigenaren [eiser 1] en de pastorie worden belast voor een bedrag van € 4.031,- ten laste van [eiser 1] en voor een bedrag van € 9.869,- ten laste van de pastorie.
1.7 [Eiser] c.s. zijn van dit vonnis tijdig(3) in cassatie gekomen.
De Landinrichtingscommissie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht, waarna [eiser] c.s. hebben gerepliceerd en de Landinrichtingscommissie heeft gedupliceerd.
2. Ontvankelijkheid
2.1 De Landinrichtingscommissie heeft in haar schriftelijke toelichting allereerst aangevoerd dat reclamante belang heeft bij de uitkomst van de cassatieprocedure, zodat "het in de rede zou hebben gelegen" dat [eiser] c.s. ook haar hadden gedagvaard en dat het feit dit niet is gebeurd "ertoe zou kunnen leiden dat het cassatieberoep (...) niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard."
2.2 Voor zover dit beroep al niet zou moeten worden verworpen als te vaag en onvoldoende gemotiveerd, faalt het op grond van het volgende. Volgens vaste rechtspraak(4) is in een procedure waarin uitsluitend bezwaren tegen de lijst der geldelijke regelingen aan de orde zijn, slechts de Landinrichtingscommissie de tegenpartij in cassatie (zie art. 217 lid 3 in Pro verbinding met art. 182 lid 3 van Pro de Landinrichtingswet). Daarnaast worden, indien als gevolg van het ingestelde cassatieberoep de schuldplichtigheid van de betrokken eigenaren - in deze zaak [eiser] c.s. - wordt verminderd, de geldelijke gevolgen daarvan gedragen door het Rijk(5).
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1 Het cassatiemiddel bevat drie onderdelen.
Onderdeel 1 is gericht tegen de uitleg die de rechtbank geeft aan het standpunt van [eiser] c.s. omtrent de taxatie van [A]. Dienaangaande heeft de rechtbank als volgt geoordeeld(6):
"Door belanghebbenden wordt, in verband met de ligging van het veehouderijbedrijf van belanghebbende [eiser 1], voorts gewezen op het bestaan van milieuhygiënische bezwaren tegen een dorpsuitbreiding op de onderhavige locatie. Rekening moet worden gehouden met een minimumafstand van in casu 100 meter, gerekend vanaf de grens van het bouwblok. Dit heeft reclamante gebaseerd op de destijds (nog steeds) geldende richtlijn Veehouderij en Hinderwet van 1985. De belanghebbenden conformeren zich in zoverre aan de taxatie van [A] en de aanvullende brief van 21 augustus 2008 waarin nog is ingegaan op de aanwezigheid van de stankcirkel."
3.2 Het onderdeel klaagt dat de overweging omtrent "het conformeren" onbegrijpelijk dan wel onjuist is voor zover de rechtbank hiermee heeft willen zeggen dat de belanghebbenden onderschrijven dat de stankcirkel berekend moet worden vanaf het emissiepunt en dat daarom van relevante invloed van de stankcirkel op de niet-agrarische waarde geen sprake is.
3.3 Het onderdeel berust m.i. op een onjuiste lezing.
Uit de bewoordingen "in zoverre" en uit het feit dat de rechtbank (pas) in haar beoordeling onder 4 een oordeel geeft over de invloed van de stankhindercirkel op het "voorverwarmde effect" van het onderhavige perceel door de Structuurvisie Nijland, blijkt dat de rechtbank kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat belanghebbenden zich (uitsluitend) conformeerden aan de toepasselijkheid van de richtlijn Veehouderij en Hinderwet van 1985, zoals in de voorgaande zin staat vermeld. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken(7).
3.4 Onderdeel 2 richt zich in twee subonderdelen tegen rechtsoverweging 4, waarin de rechtbank als volgt heeft overwogen:
"Voor het bepalen van de hoogte van de niet-agrarische meerwaarde is de Landinrichtingscommissie uitgegaan van een, in haar opdracht verrichte, taxatie van [A], die uitkomt op € 0,50 per m2. Met de Landinrichtingscommissie acht de rechtbank deze rapportage deugdelijk gemotiveerd. Er is gewerkt aan de hand van een correct toetsingscriterium. Nagegaan is wat de planologische stand van zaken op [de] peildatum was. Ook is nagegaan of zich relevante grondtransacties hebben voorgedaan, hetgeen volgens [A] niet het geval is geweest. Tenslotte is de rechtbank met de taxateur [A] van oordeel dat de omstandigheid dat een stankhindercirkel over een -betrekkelijk- klein gedeelte van de onderhavige kavel niet van invloed is op het "voorverwarmde" effect van de grond door de Structuurvisie. De rechtbank acht het dan ook begrijpelijk dat de Landinrichtingscommissie de bevindingen van taxateur [A] heeft overgenomen in haar -uiteindelijke- standpunt over de betreffende verrekenpost."
3.5 Het eerste subonderdeel klaagt dat het oordeel van de rechtbank over de stankhindercirkel onjuist is voor zover daaraan ten grondslag ligt dat deze cirkel moet worden getrokken vanaf het emissiepunt en niet vanaf de grens van het agrarisch blok.
3.6 Het subonderdeel faalt.
Volgens vaste Kroonjurisprudentie en rechtspraak van de Raad van State dient bij de bepaling van de stankcirkel in beginsel als meetpunt de grens van het aangegeven bouwvlak van het agrarische bedrijf te gelden, omdat binnen het gehele bouwperceel bedrijfsbebouwing kan worden opgericht waar hinderveroorzakende activiteiten plaatsvinden(8). In het kader van de "omgekeerde werking" dient de afstand van een nieuw te bestemmen stankgevoelig object gemeten te worden tot de rand van het bouwperceel van het bestaande hinderveroorzakende object(9).
Van genoemde hoofdregel van de grens van het aangegeven bouwvlak als meetpunt kan worden afgeweken indien de omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien het bedrijf geen (reële) uitbreidingsmogelijkheden meer heeft, noch de mogelijkheid om binnen het bouwblok nieuwe bebouwing voor hinderveroorzakende activiteiten op te richten. In het laatste geval kan worden gemeten vanaf het emissiepunt(10).
3.7 Door aan te sluiten bij de taxateur [A] heeft de rechtbank klaarblijkelijk gekozen voor het emissiepunt als meetpunt omdat er op het perceel van [eiser 1] geen bebouwingsmogelijkheid is(11). [A] heeft immers in zijn brief van 21 augustus 2008 in aanvulling op zijn taxatierapport en in reactie op hetgeen [eiser] c.s. daarover hadden opgemerkt, het volgende geschreven:
"(...) Tijdens het gesprek van 4 augustus jl. met uw commissie hebt u mij een schriftelijke reactie overhandigd van belanghebbende [eiser 1].
In deze reactie wordt gewezen op de Wet geurhinder en veehouderij, alsmede op de voorliggende richtlijn, op basis waarvan een minimale afstand van 100 meter tussen bebouwing en het agrarisch bouwblok van het perceel [b-straat 1] dient te worden gehouden. Het gevolg zou zijn dat slechts op een klein gedeelte woningbouw zou kunnen plaatsvinden.
Het voorgaande is voorgelegd aan de gemeente Wymbritseradiel ([betrokkene 2]). Ten tijde van de peildatum kon in een cirkel van 100 meter ten opzichte van het emissiepunt van de stal op genoemd perceel geen woningbouw plaatsvinden. Dit heeft tot gevolg dat slechts een klein gedeelte van genoemde perceel, zoals aangegeven op bijgevoegde situatietekening, niet in aanmerking komt voor woningbouw.
Ik ben van mening dat dit weinig tot geen invloed heeft op het wel of niet aanwezig zijn van een niet-agrarische meerwaarde en de hoogte daarvan, derhalve handhaaf ik mijn conclusie zoals verwoord in eerder genoemd taxatierapport."
Het voorgaande sluit aan bij hetgeen mr. Stehouwer bij pleidooi heeft aangevoerd, namelijk dat rond het perceel van [eiser 1] in 2001 al sprake was van een overbelaste situatie, gezien de afstand van de hinderveroorzakende ligboxenstal tot de woning [b-straat 2]. Hierdoor zou [eiser 1] op zijn perceel [b-straat 1] geen uitbreidingsmogelijkheden meer hebben(12).
3.8 Overigens kwam de taxateur [A] op exact dezelfde niet-agrarische meerwaarde van € 0,50 per vierkante meter als de door [eiser] c.s. ingeschakelde taxateur [B] die de hiervoor onder 3.6 genoemde hoofdregel hanteerde(13).
3.9 Gelet op de hiervoor vermelde rechtspraak over het in aanmerking komende meetpunt indien er geen bebouwingsmogelijkheden zijn, geeft het oordeel van de rechtbank niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.10 Subonderdeel 2 klaagt dat voor zover het oordeel van de rechtbank wel blijk geeft van een juiste rechtsopvatting de rechtbank niet heeft gerespondeerd op de essentiële stelling van [eiser 1] dat de stankcirkel wel degelijk het merendeel van de kavel bestrijkt.
3.11 Ook dit subonderdeel faalt. Aan zijn visie dat slechts een klein deel van het perceel niet in aanmerking komt voor woningbouw (zie hiervoor onder 3.7) heeft [A] een situatietekening ten grondslag gelegd. In het overnemen van de visie van deze taxateur door de rechtbank ligt de verwerping van de bij pleidooi naar voren gebrachte stellingen van [eiser] c.s. omtrent de invloed van de stankcirkel besloten. Dit oordeel is voldoende gemotiveerd.
3.12 Onderdeel 3, dat het slagen van een van de voorgaande onderdelen veronderstelt, behoeft thans geen bespreking meer.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De rechtbank heeft geen feiten vastgesteld.
2 Zie de vaststelling van de rechtbank onder 2 van haar vonnis van 12 november 2008.
3 De cassatiedagvaarding is op 22 december 2008 uitgebracht. Daarbij is de akte houdende verklaring van cassatie van 9 december 2008 betekend (zie art. 217 lid 2 in Pro verbinding met art. 182 lid 2 van Pro de hier toepasselijke Landinrichtingswet) en betekening van de dagvaarding houdende de cassatiemiddelen van 22 december 2008. In het A-dossier ontbreekt de lijst der geldelijke regelingen.
4 HR 25 maart 1992, LJN AD1639 (NJ 1992, 394) en HR 22 juli 1993, LJN AD1921 (NJ 1994, 93).
5 Kamerstukken II, 1979-1980, 15 907, nrs. 3-4, p. 71 en HR 30 oktober 1996, LJN AA1744 (NJ 1999, 425) m.nt. PCEvW. Zie over de achtergrond van deze bepaling ook Kamerstukken II, 2005-2006, 30 509, nr. 3, p. 86.
6 Zie het bestreden vonnis, p. 2 onder "Belanghebbenden", 2e alinea.
7 Zie bijv. het standpunt van [eiser] c.s. in de pleitaantekeningen van ing. Bruinsma van 3 oktober 2008, p. 1/2.
8 Zie o.m. RvS 26 mei 1994, LJN AN3942 (AB 1994, 656) en RvS 10 oktober 2001, LJN AT7734. Dit uitgangspunt gold zowel onder de Brochure Veehouderij en Hinderwet 1985 als onder de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder 1996: RvS 26 mei 1994, LJN AN3942 (AB 1994, 656); Handreiking ruimtelijke ordening en milieu van het Inspectoraat Generaal VROM, maart 2005, p. 51 onder 6.3.2.
9 KB 26 mei 1994, LJN AN3942 (AB 1994, 656); Handreiking ruimtelijke ordening en milieu, p. 55 onder 6.4.
10 KB van 9 oktober 1991, LJN AN2291 (AB 1992, 103); RvS 5 november 2003, LJN AN7226; RvS 16 augustus 2006, LJN AY6302.
11 Zie daarover Bijlage 2 bij de pleitnotities van ing. Bruinsma van 3 oktober 2008.
12 Pleitnotities mr. Stehouwer van 3 oktober 2008, p. 3.
13 Taxatierapport van [C] en [B] van 29 september 2008, Bijlage 2 bij de pleitnota van ing. Bruinsma, p. 4.