ECLI:NL:PHR:2010:BM6231
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vormverzuim door ontbreken van rechtsbijstand voorafgaand aan eerste politieverhoor
In deze zaak staat centraal of de verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens het eerste politieverhoor zonder voorafgaande mogelijkheid tot raadpleging van een advocaat, als bewijs mogen worden gebruikt. De verdediging voerde aan dat sprake was van een vormverzuim ex art. 359a Sv, omdat verdachte niet binnen redelijke grenzen rechtsbijstand kon raadplegen, waardoor de verklaringen uitgesloten moeten worden.
Het hof verwierp dit verweer zonder een met redenen omklede beslissing, terwijl de Hoge Raad oordeelt dat dit een onjuiste rechtsopvatting is. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie dat in beginsel bewijsuitsluiting volgt bij het ontbreken van rechtsbijstand voorafgaand aan het eerste verhoor, tenzij sprake is van afstand van dat recht of dwingende redenen.
De Hoge Raad constateert dat het hof niet heeft vastgesteld dat verdachte afstand heeft gedaan van het recht op overleg met een raadsman en dat het hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de verklaringen toch als bewijs konden dienen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling, waarbij het Salduz-verweer adequaat moet worden behandeld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het Salduz-verweer.