AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling van het verhaal van kosten via dwangbevel ex art. 575 Sv
In deze zaak stond de vraag centraal of invorderings- en incassokosten kunnen worden verhaald via een dwangbevel ex art. 575 SvPro. De veroordeelde was verplicht tot betaling van een schadevergoedingsbedrag aan de staat, maar betaalde niet volledig, waarna het CJIB een dwangbevel uitvaardigde. Verzoeker stelde onder meer dat het dwangbevel nietig was omdat het was uitgevaardigd door een onbevoegde officier van justitie en dat de kosten niet via dwangbevel konden worden verhaald.
De raadkamer van het hof verwierp deze bezwaren, stellende dat de officier van justitie te Leeuwarden als plaatsvervangend advocaat-generaal in het ressort 's-Gravenhage bevoegd was tot uitvaardiging van het dwangbevel. Tevens oordeelde het hof dat op grond van de wetsgeschiedenis en de tekst van art. 575 SvPro de invorderings- en incassokosten via een dwangbevel kunnen worden verhaald.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de middelen van cassatie. De Hoge Raad benadrukte dat sinds 1 januari 2001 in het vijfde lid van art. 575 SvPro expliciet is geregeld dat de kosten van verhaal, waaronder ook incassokosten, ten laste van de veroordeelde komen. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat geen betekening van het arrest voorafgaand aan de executie vereist is. De overige bezwaren van verzoeker werden eveneens verworpen wegens onvoldoende onderbouwing of omdat het hof niet gehouden was hier uitvoerig op te reageren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat invorderings- en incassokosten via een bevoegd uitgevaardigd dwangbevel kunnen worden verhaald.
Conclusie
Nr. 09/01274 B
Mr. Hofstee
Zitting: 25 mei 2010
Conclusie inzake:
[Verzoeker = betrokkene]
1. De raadkamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 5 februari 2009 het verzet van verzoeker ongegrond verklaard.
2. Namens verzoeker heeft mr. W.H. Zundert, advocaat te Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Verzoeker is bij (onherroepelijk geworden) arrest van 31 januari 2007 door het gerechtshof te 's-Gravenhage de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 140,- ten behoeve van een slachtoffer. Verzoeker is vervolgens door het CJIB aangeschreven om dit bedrag voor de vervaldatum van 23 april 2007 op de rekening van het CJIB bij te doen schrijven. Omdat de betaling niet tijdig was ontvangen, is door het CJIB een eerste aanmaning verzonden met daarop het bedrag van € 155,- vermeld. Op 29 mei 2007 werd door het CJIB een betaling ontvangen van verzoeker voor een bedrag van € 140,-. Aangezien het verhoogde bedrag van € 15,- niet tijdig was voldaan, is door het CJIB op 30 juni 2007 een tweede aanmaning aan verzoeker verzonden, nu voor een bedrag van € 45,-. Op 24 augustus 2007 heeft het CJIB verzoeker een herinneringsbrief gezonden en is hij in de gelegenheid gesteld om deze € 45,- binnen twee weken na dagtekening alsnog te voldoen. Op 5 september 2007 is door het CJIB een betaling ontvangen van verzoeker ten bedrage van € 15,-. Omdat verzoeker nalatig bleef het bedrag volledig (dat wil zeggen het restant van € 30,-) te voldoen, is aan hem een dwangbevel betekend. Tegen dit dwangbevel heeft verzoeker verzet ex art. 575, derde lid, Sv ingesteld.
4. Het eerste middel klaagt dat de raadkamer van het gerechtshof er ten onrechte vanuit is gegaan dat het dwangbevel, dat is ondertekend door de officier van justitie te Leeuwarden, is uitgevaardigd door het Openbaar Ministerie dat met de uitvoering van het arrest is belast. Hiermee zou geen uitvoering gegeven zijn aan de bepaling van art. 575, tweede lid, Sv.(1) Volgens de steller van het middel is de officier van justitie te Leeuwarden niet bevoegd het dwangbevel uit te vaardigen, nu naar de bedoeling van de wetgever het OM in het betreffende parket of ressort de executie van het vonnis of arrest ter hand dient te nemen. Verder zou uit de aan de ondertekening toegevoegde passage "ten deze handelend als plaatsvervangend advocaat-generaal in het ressort 's-Gravenhage", niet zijn af te leiden dat de officier van justitie te Leeuwarden bevoegd was tot ondertekening van het dwangbevel.
5. De raadkamer van het hof heeft in zijn beschikking onder het kopje 'Beoordeling van het verzet' het door de raadsman gevoerde verweer - voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang - als volgt samengevat en verworpen:
"Ter onderbouwing van het verzet is namens de veroordeelde aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat het dwangbevel nietig is. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het dwangbevel is afgegeven door de Officier van Justitie te Leeuwarden die daartoe niet bevoegd is. (...)
Het hof overweegt het volgende.
Het dwangbevel, waartegen het bezwaarschrift zich richt is uitgevaardigd, zo blijkt uit het dossier, door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden, ten deze handelend als plaatsvervangend advocaat-generaal in het ressort 's-Gravenhage. Derhalve is van een onbevoegd gegeven dwangbevel geen sprake; de stelling van de raadsman berust op een onjuiste lezing van het dwangbevel.
(...)"
6. Het gaat in deze zaak om de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage. Dat brengt mee dat alleen de advocaat-generaal die de zaak aanhangig heeft gemaakt - te dezen de advocaat-generaal te 's-Gravenhage - bevoegd is ter zake van de tenuitvoerlegging van dat arrest een dwangbevel als bedoeld in art. 575, tweede lid, Sv uit te vaardigen.(2) Op grond van art. 136, zevende lid, RO kan het college van procureurs-generaal een officier van justitie bij een arrondissementsparket benoemen tot plaatsvervangend advocaat-generaal. Naar de raadkamer van het hof heeft vastgesteld, handelde de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden als plaatsvervangend advocaat-generaal in het ressort 's Gravenhage. Het oordeel van de raadkamer van het hof dat van een onbevoegd gegeven dwangbevel geen sprake is, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.(3)
7. Het middel faalt.
8. Het tweede, derde en vijfde middel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
9. Alvorens op deze middelen in te gaan, wil ik de bijzondere gang van zaken schetsen die aan de behandeling van de raadkamer van het hof vooraf is gegaan. Op 29 december 2007 heeft de raadsman in een schrijven aan de advocaat-generaal kenbaar gemaakt bezwaar te hebben tegen de uitvoering van het dwangbevel dat, in de woorden van de raadsman, door de officier van justitie te Leeuwarden is opgelegd. Bij dit schrijven heeft de raadsman een afschrift gevoegd van een door de raadsman aan de deurwaarder gezonden brief, waarin de raadsman namens verzoeker mededeelt om vijf redenen bezwaar te hebben tegen de executie van het arrest van het hof d.d. 31 januari 2007. De raadsman merkt in zijn schrijven aan de advocaat-generaal op dat de inhoud van zijn brief aan de deurwaarder geacht wordt onderdeel uit te maken van het bezwaarschrift. Zo te zien heeft de raadkamer van het hof dit schrijven aan de advocaat-generaal aangemerkt als het bezwaarschrift.
10. Het tweede middel klaagt erover dat de bestreden beschikking niet (voldoende) onderbouwd dan wel gemotiveerd is, nu de raadkamer van het hof ervan uit is gegaan dat het CJIB c.q. de officier van justitie correcte uitvoering heeft gegeven aan het arrest van het hof van 31 januari 2007 door dit ter hand te stellen aan het CJIB zonder te beoordelen of de betaling wel mogelijk is, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker. Met de eis om eerder te betalen heeft het CJIB c.q. het OM geen rekening gehouden met de regels rond de wettelijke beslagvrije ruimte, aldus de steller van het middel.
11. Het derde middel bevat de klacht, zo begrijp ik, dat de bestreden beschikking niet (voldoende) gemotiveerd is, omdat de raadkamer van het hof heeft miskend dat bij gebreke van betaling de executie primair is gericht op vervangende hechtenis. Volgens de steller van het middel heeft de advocaat-generaal in strijd hiermee gehandeld, nu hij heeft gekozen voor een verhoging van de boete ingevolge art. 24b Sr en niet voor het opleggen van de vervangende hechtenis.
12. Het vijfde middel komt met de klacht dat de bestreden beschikking niet (voldoende) gemotiveerd is, aangezien het hof voorbij is gegaan aan het bezwaar dat het OM en het CJIB geen rekening hebben gehouden met de omstandigheid dat verzoeker als bijstandsgerechtigde beperkte financiële middelen heeft en reeds andere schulden aflost, zodat eerdere betaling door verzoeker niet mogelijk was en dat het CJIB bij het verzoek tot betaling geen rekening heeft gehouden met de beslagvrije ruimte.
13. De raadsman is op geen van de in middel twee, drie en vijf neergelegde klachten nader ingegaan bij de behandeling van de raadkamerzitting, maar heeft de betreffende punten enkel aangestipt in zijn aan de deurwaarder gerichte brief van 29 december 2007. In aanmerking genomen dat de raadsman het klaarblijkelijk niet nodig heeft geacht om die punten op 's hofs zitting te herhalen en in de vorm van een verweer nader toe te lichten, was het hof niet gehouden hierop (uitvoerig) gemotiveerd te responderen.
14. De middelen falen.
15. Het vierde middel beoogt kennelijk er over te klagen dat het hof er ten onrechte vanuit is gegaan dat het CJIB c.q. de officier van justitie bevoegd is ook invorderingskosten via een dwangbevel in rekening te brengen respectievelijk te executeren en dat onder invorderingskosten behalve de buitengerechtelijke incassokosten ook de kosten van de deurwaarder c.q. de executiekosten gerekend kunnen worden. Volgens de steller van het middel handelt het vijfde lid van art. 575 SvPro alleen over 'invorderingskosten', waaronder niet de (buitengerechtelijke) incassokosten vallen. Verder wordt in het middel gesteld dat een betekening van het arrest van het hof d.d. 31 januari 2007 had moeten plaatsvinden (conform het civiele recht), alvorens tot executie kon worden overgegaan.
16. De raadkamer van het hof heeft in zijn beschikking onder het kopje 'Beoordeling van het verzet' het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"(...) Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het dwangbevel geen betrekking mag hebben op invorderings- en incassokosten voor zover deze kosten hoger zijn dan het bedrag van de oorspronkelijke geldboete (het hof begrijpt: in casu het oorspronkelijke schadevergoedingsbedrag) en de wettelijke verhogingen. De raadsman verwijst daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2000 (NJ 2001, 265).
Het hof overweegt het volgende.
(...)
Ten aanzien van de invorderings- en incassokosten
overweegt het hof voorts dat de Hoge Raad in bovenvermeld arrest heeft overwogen dat de kosten van verhaal in principe ten laste van de veroordeelde komen. Voorts overweegt de Hoge Raad in dit arrest dat zonder nadere wettelijke regeling het dwangbevel niet kan worden uitgevaardigd voor een hoger bedrag dan wordt gevormd door de som van de oorspronkelijke geldboete en de wettelijke verhogingen.
Inmiddels is een dergelijke nadere wettelijke regeling getroffen, die op 1 januari 2001 in werking is getreden, te weten in artikel 575, vijfde lid van het Wetboek van Strafvordering. Derhalve is er thans een wettelijke basis om ook de invorderings- en incassokosten middels een dwangbevel op de veroordeelde te verhalen.
Het hof verwerpt - gelet op het bovenstaande - het beroep op nietigheid van het dwangbevel."
17. Nadat de Hoge Raad in zijn beschikking van 20 juni 2000(4) vaststelde dat uit art. 575, tweede lid, Sv niet kan volgen dat de officier van justitie voor de invorderingskosten - incassokosten en executiekosten - een dwangbevel kan uitvaardigen, heeft de wetgever in het (huidige) vijfde lid van art. 575 SvPro expliciet de bepaling opgenomen dat de kosten van verhaal ten laste komen van de veroordeelde. Onder deze kosten van verhaal worden de invorderingskosten begrepen. Kosten van incasso, ter invordering van een geldboete of zoals in de onderhavige zaak van een schadevergoedingmaatregel, vallen hier ook onder, zoals kan worden afgeleid uit de MvT bij art. 575, vijfde lid, Sv.(5) Aldus getuigt voornoemd oordeel van de raadkamer van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel voldoende gemotiveerd.(6)
18. De bijzondere stelling dat betekening van het arrest van het hof d.d. 31 januari 2007 had moeten voorafgaan aan de executie, vindt geen steun in het recht.(7)
19. Ook dit middel faalt.
20. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 ROPro bedoelde motivering.
21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 In het middel wordt ten onrechte art. 575, tweede lid, Sr aangehaald. De steller van het middel bedoelt klaarblijkelijk art. 575, tweede lid, Sv.
6 Zie ook T&C-Sv, 8e druk (2009), art. 575, aant. 5.
7 Vgl. ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2008, zesde druk, p. 742-743 en 770. Een strafrechtelijk vonnis of arrest wordt na te zijn vastgesteld uitgesproken op een openbare zitting. De verdachte en zijn raadsman kunnen desverzocht van het vonnis of arrest een afschrift krijgen. Ik verwijs de steller van het middel voor dit alles naar art. 362, eerste lid, 365, derde lid, en 315, alle Sv.