ECLI:NL:PHR:2010:BM6671

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/03133
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep wegens termijnoverschrijding niet gemotiveerd bij mededeling gerechtsbode

Verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat dit te laat was ingesteld. Verdachte had tijdens de terechtzitting in eerste aanleg aan de gerechtsbode medegedeeld dat zij niet aanwezig kon blijven vanwege haar kinderen en dat zij een nieuwe oproep zou ontvangen. Het hof liet echter de juistheid van deze mededeling in het midden en oordeelde dat verdachte na de zitting had moeten nagaan wat er met haar zaak was gebeurd.

De Hoge Raad stelt dat indien vaststaat dat de gerechtsbode aan verdachte had meegedeeld dat zij een nieuwe oproep zou ontvangen, dit een omstandigheid kan zijn die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakt. Het hof had dit niet mogen negeren en had moeten motiveren waarom verdachte niet op deze mededeling mocht vertrouwen.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het beroep. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige motivering bij termijnoverschrijdingen en de bescherming van de verdachte bij ambtelijke mededelingen die verwachtingen scheppen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling van het beroep.

Conclusie

Nr. 08/03133
Mr. Machielse
Zitting 1 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 21 juli 2008 niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
2. Mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te 's-Gravenhage, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt dat de niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in haar hoger beroep onjuist is, nu de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
3.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juli 2008 heeft verdachte het volgende aangevoerd:
"De verdachte deelt desgevraagd mede dat - zakelijk weergegeven - de terechtzitting in eerste aanleg uitgelopen. Daar zij haar kinderen van school moest halen heeft zij aan de gerechtsbode doorgegeven dat zij niet aanwezig kon zijn bij de inhoudelijke behandeling van haar zaak. Hier zou een aantekening van worden gemaakt en zij zou een nieuwe oproep krijgen. Dit laatste is niet gebeurd, daarom heeft zij pas op 12 februari 2008 hoger beroep ingesteld.
3.3 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 juli 2008 bevat voorts het volgende:
"De voorzitter merkt op dat nergens uit blijkt dat er een aantekening is gemaakt.
Voorts merkt de voorzitter op dat, ook als de gerechtsbode aan de rechter in eerste aanleg heeft medegedeeld dat verdachte niet langer kon wachten, daarmee niet vaststaat dat de behandeling van de zaak ook zal worden aangehouden. De verdachte had dan ook na de terechtzitting in eerste aanleg moeten nagaan wat er was gebeurd met haar zaak.
(...)
Aantekening mondeling vonnis
(...)
De dagvaarding van de verdachte om op 14 januari 2008 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 6 november 2007.
De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 14 januari 2008 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 12 februari 2008 hoger beroep ingesteld, zodat zij daarin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."
3.4 Onder de processtukken bevindt zich een brief van verdachte(1) waarin onder meer is aangevoerd:
"Ik was ook op de zitting aanwezig maar de zaak voor mij duurde heel erg lang. Na een uur wachten vroeg ik aan de bode hoelang kan het nog duren. Toen zei zij dat er nog 2 mensen voor mij waren. Alles was uitgelopen ongeveer anderhalf uur. Ik heb 2 kleine kinderen. De ene kwam uit de peuterspeelzaal over 7 min. Ik kon niet langer daar blijven. Ik vroeg het aan de bode die zal het doorgeven voor een nieuwe uitnodiging. Dat is helaas niet gebeurd (...)"
3.5 De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden. Deze termijnen zijn van openbare orde. Het Hof heeft vastgesteld dat de dagvaarding om op 14 januari 2008 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen aan verdachte in persoon is uitgereikt en dus dat de dag van de terechtzitting van de kantonrechter de verdachte tevoren bekend was. Dat brengt mee dat ingevolge art. 408, eerste lid aanhef en onder c, Sv de termijn voor het instellen van hoger beroep op 28 januari 2008 is verstreken. Het hoger beroep dat op 12 februari 2008 is ingesteld is dus te laat ingesteld.
Het hieraan te verbinden gevolg dat verdachte in haar beroep niet kan worden ontvangen kan hieraan uitsluitend niet worden verbonden indien er sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Hierbij kan worden gedacht aan binnen de beroepstermijn verstrekte ambtelijke informatie waardoor bij de verdachte de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat de beroepstermijn op een ander tijdstip aanvangt.(2)
3.6 Het Hof is ingegaan op verdachtes stelling dat de gerechtsbode had aangegeven dat er een aantekening gemaakt zou worden dat verdachte genoodzaakt was te vertrekken voordat haar zaak behandeld zou gaan worden, maar het Hof laat de stelling dat verdachte volgens de bode opnieuw zou worden uitgenodigd in het midden. Gelet hierop moet in cassatie van de juistheid van de stelling worden uitgegaan.(3) 's Hofs overweging dat zij na de terechtzitting had moeten nagaan wat er gebeurd was, is in dat licht onbegrijpelijk. Verdachte, die niet werd bijgestaan door een raadsman, leefde in de verschoonbare veronderstelling dat haar zaak die dag niet zou worden behandeld en dat zij vanzelf weer een uitnodiging zou krijgen voor een terechtzitting. Nu het Hof niet heeft gemotiveerd waarom verdachte niet mocht vertrouwen op de door de bode verstrekte informatie over een nieuwe oproeping en daarmee samenhangend het ingaan van de beroepstermijn, is 's Hofs overweging onbegrijpelijk.
Het middel slaagt.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage om op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 De brief is niet gedateerd, maar blijkens de poststempels is de brief in ieder geval op 21 februari 2008 bij de Sector Strafrecht van de Rechtbank te Rotterdam binnengekomen.
2 HR 20 december 1994, NJ 1995, 253 en HR 6 januari 2004, LJN AN8587.
3 Vgl. HR 4 mei 2004, LJN AO5706 (telefonische mededeling griffier dat het verzoek om aanhouding was gehonoreerd en dat een nieuwe oproeping zou worden verzonden; het Hof had enkele stellingen over de gesprekken die tussen de raadsvrouwe en de griffier zouden hebben plaatsgevonden niet besproken).