ECLI:NL:PHR:2010:BM6706
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over de toepassing en richtlijnconformiteit van artikel 3, lid 1, onderdeel h, Wet OB 1968 inzake interne levering van zelfvervaardigde goederen
Belanghebbende, eigenaresse van een sportcomplex met voetbalvelden, verving in 2001 een natuurgrasveld door een kunstgrasveld en verhuurde dit vrijgesteld van omzetbelasting aan een stichting. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat de ingebruikneming van het kunstgrasveld werd gezien als een levering onder artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). In cassatie staat centraal of deze bepaling, die ook goederen omvat die door derden zijn vervaardigd onder terbeschikkingstelling van stoffen, waaronder grond, verenigbaar is met artikel 5, lid 7, onder a, van de Zesde richtlijn.
De Advocaat-Generaal concludeert dat de Nederlandse regeling niet in strijd is met de Zesde richtlijn en dat het hof ten onrechte een onjuiste rechtsopvatting heeft aangenomen. De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep in cassatie gegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen. De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de wetsgeschiedenis, jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de uitleg van begrippen als 'vervaardigen' en 'bestemmen'.
De conclusie benadrukt dat de integratieheffing bedoeld is om concurrentieverstoringen te voorkomen door het gelijk behandelen van zelfvervaardigde goederen en aangekochte goederen waarvoor geen volledige aftrek van voorbelasting bestaat. Ook wordt ingegaan op de maatstaf van heffing, waarbij de kostprijs van het vervaardigde goed bepalend is, inclusief elementen waarvoor geen aftrek is genoten. De discussie over de waardering van zakelijke rechten zoals erfpacht en de reikwijdte van de integratieheffing wordt uitvoerig behandeld.
De conclusie bevestigt dat het begrip vervaardigen in de Wet OB ook het in eigen bedrijf laten vervaardigen onder terbeschikkingstelling van stoffen omvat, dat de Nederlandse regeling in overeenstemming is met de Zesde richtlijn en dat de maatstaf van heffing de voortbrengingskosten omvat, ook voor niet-aftrekbare elementen. De zaak is van belang voor de uitleg van de integratieheffing en de toepassing van de omzetbelasting op interne leveringen van onroerende zaken en aanverwante rechten.
Uitkomst: De Hoge Raad wordt geadviseerd het beroep in cassatie gegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen met bevestiging van de richtlijnconformiteit van artikel 3, lid 1, onderdeel h, Wet OB.