ECLI:NL:PHR:2010:BM6933

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/03463
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 344 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens diefstal gevolgd door bedreiging met geweld in winkel

Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens diefstal van een sweater uit een winkel en bedreiging met geweld om vlucht bij heterdaad te faciliteren. De feiten speelden zich af op 1 oktober 2006 in een winkel aan de Kalverstraat te Amsterdam.

De beveiligingsmedewerker zag verdachte met een niet-betaalde sweater de winkel verlaten, waarna verdachte agressief reageerde en dreigde met woorden en handelingen die als bedreiging werden opgevat. Een in burger geklede politieagent greep in en hield verdachte aan. Verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur.

In cassatie werd aangevoerd dat een verklaring van verdachte niet strookte met de bewezenverklaring, namelijk dat hij de sweater vergeten was. De Hoge Raad oordeelde dat dit onderdeel van ondergeschikt belang was en de bewijsvoering als geheel voldoende was gemotiveerd en aannemelijk. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur wegens diefstal gevolgd door bedreiging met geweld.

Conclusie

Nr. 09/03463
Mr. Machielse
Zitting 1 juni 2010
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 9 april 2009 wegens "diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren.
2. Mr. A.C.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het middel klaagt dat een van de bewijsmiddelen strijdig is met de bewezenverklaring.
3.2 Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 1 oktober 2006 te Amsterdam aan de openbare weg de Kalverstraat met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit winkelbedrijf [A] ([a-straat 1]) heeft weggenomen een sweater ter waarde van 19,90 euro, toebehorende aan winkelbedrijf [A], welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, met zijn handen naar de rits van zijn, verdachtes, schoudertas ging en daarbij dreigend [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "nu gaan er mensen geprikt worden".
3.3 De aanvulling op het arrest bevat het volgende:
"De bewijsmiddelen
1. Een proces-verbaal met nummer 2006251798-4 van 1 oktober 2006 in wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1], agent van politie van Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 16-18).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:
U vraagt mij wat er vandaag gebeurd is.
Ik was met drie vrienden aan het winkelen. Ik ben bij de winkel [A] binnen geweest. Ik heb daar een truitje gepast. Ik zag mijn vrienden met meer. Ik ben toen bij de uitgang gaan kijken of ik mijn vrienden daar zag. Ik was dat truitje
helemaal vergeten. Bij de uitgang werd ik toen aangesproken door een beveiligingsmedewerker. Die man zei dat ik het truitje had gestolen. Ik heb toen het truitje aan die beveiliger gegeven.
2. Een proces-verbaal met nummer 2006251798-1 van 1 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2], asp.rant agent van politie Amsterdam-Amstelland (doorgenummerde pagina's 4-8).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als aangifte van [slachtoffer]:
Aangever
Naam: [achternaam slachtoffer]
Voomamen: [voornaam slachtoffer]
Geboren te: [geboorteplaats]
Geboren op: [geboortedatum]/1974
Geboorteland: Nederland
Hij deed aangifte terzake van winkeldiefstal met geweld namens zichzelf en de benadeelde
Benadeelde
Naam: [A]
Adres: [a-straat 1]
Plaats: Amsterdam
en verklaarde het volgende:
Ik ben namens benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van winkeldiefstal en bedreiging.
Op 1 oktober 2006 omstreeks 14:30 uur was ik aan het werk als beveiliger vestiging van de [A] in de Kalvertoren, [a-straat 1] te Amsterdam.
Op eerdergenoemde datum en tijdstip liep ik door de genoemde winkel en zag een groep van vier jongens op de herenafdeling, die op de benedenverdieping is gelegen rondlopen. Deze jongens trokken mijn aandacht, door het vertonen van voor mij vanuit mijn werk bekend afwijkend winkelgedrag. Met dit afwijkend winkelgedrag bedoel ik continu om zich heen kijken van de jongens, het elkaar afschermen en het niet groeten van personeel. Uit ervaring weet ik dat mogelijke winkeldieven dit gedrag vertonen. Hierop ben ik naar de cameraruimte gegaan, om deze groep jongens in de gaten te houden Ik zag dat een van de jongens een grijze sweater van een hanger haalde. lk zag dat deze sweater uiteindelijk in handen kwam van de jongen die mij later bedreigde. Ik zag dat de overige drie jongens de winkel verheten. De jongen met de sweater bleef in de winkel achter en liep rond en keek. Vervolgens zag ik dat de jongen met de nog niet betaalde sweater, ter waarde van € 19,90 de winkel uitliep bij de uitgang die gelegen is bij de HEMA en de roltrap. Ik ben vervolgens achter de jongen aangerend. Pas toen ik bijna bij hem was draaide de jongen zich om. Op dat moment sprak ik de jongen aan en vroeg hem of hij mee terug de winkel in wilde gaan. Ik heb uitgelegd waarom, maar de jongen wilde niet meewerken. Ik zag dat de jongen agressief werd. Ik zag dit aan zijn dreigende houding en zijn verbale uitingen. Ik zag namelijk dat hij met zijn handen begon te zwaaien en bleef roepen: "raak me niet aan!" Ik zag dat de jongen de sweater wilde overgeven aan een van zijn vrienden die ook in de winkel aanwezig was. Ik heb de sweater toen afgepakt. Op dat moment zag ik dat de jongen wegrende in de richting van de Douglas gevestigd in de Kalvertoren. Ik heb hem aanzijn trui vastgepakt. Ik merkte en zag dat handen van de jongen vrij waren. Ik stond op dat moment voor de jongen en zag dat hij met beide handen naar de rits van een rood schoudertasje ging. Ik hoorde dat de jongen zei: "Nu gaan er mensen geprikt worden". Ik voelde me op dat moment erg bedreigd en dacht dat hij mogelijk kon steken met een scherp voorwerp of mes. Ik wilde voorkomen dat hij de tas zou openen, maar precies op dat moment was er een man, van wie later bleek dat het een in burger geklede politieagent was, die de jongen naar achteren wegtrok. Ik zag dat de agent de jongen naar de muur bracht en zich legitimeerde als politieagent. Ik vertelde de agent dat het hier ging om een winkeldiefstal op heterdaad. Hierop zijn de jongen, de agent en ik weer teruggegaan naar de [A] in de Kalvertoren.
Bijlage goederen (dossierpagina 8)
Gestolen goed
Object: kleding (sweater
Kleur: grijs
eigenaar: [A], de [a-straat 1], Amsterdam.
3. Een proces-verbaal met nummer 2006251798-2 van 1 oktober 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], hoofdagent van politie Amsterdam- Amstelland (doorgenummerde pagina's 11-12).
Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:
Op 1 oktober 2006 omstreeks 14:40 uur bevond ik, verbalisant, mij in burger gekleed met een speciale opdracht belast in de [A] gevestigd aan de [a-straat 1] te Amsterdam. Ik liep richting de uitgang van de [A] die uitkomt in het winkelcentrum De Kalvertoren. Vlak voordat ik door de uitgang naar buiten liep zag ik een grote groep mensen allemaal een kant op staren. Ik liep vervolgens de [A] uit en keek in de richting waar ik al die mensen naar toe zag kijken. Ik zag dat een klein groepje personen, ongeveer 5 personen, aan het duwen en trekken waren. Er was een soort worsteling tussen de personen van dat groepje. Ik hoorde veel geschreeuw vanuit de richting van dit groepje personen komen.
Ik zag vervolgens dat een van de personen mij bekend voorkwam. Ik zag dat dit de beveiliger van de [A] was, die opgaf te zijn genaamd:
[slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats]
Toen ik [slachtoffer] in het worstelende groepje herkende had ik het vermoeden dat [slachtoffer] in een worsteling was geraakt met een of meerdere winkeldieven. Ik zag dat een persoon zich uit de groep begaf en in mijn richting kwam rennen. Deze persoon bleek later te zijn genaamd:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats].
Toen [verdachte] langs mij wilde rennen greep ik hem met beide handen beet bij zijn armen en duwde [verdachte] tegen een muur van de [A]. Hierop heb ik mijn van dienstwege verstrekte politielegitimatiebewijs gepakt en mij aan [verdachte] gelegitimeerd. Ik zag hierop [slachtoffer] op mij aflopen met een grijs gekleurd trainingsjack in zijn hand. Ik hoorde [slachtoffer] zeggen tegen [verdachte] iets in de trant van: 'was dat het nu waard, twintig euro". Hierbij hield [slachtoffer] het grijze trainingsjack omhoog. Hierop heb ik [verdachte] gezegd dat hij was aangehouden.
Nadere bewijsoverweging
De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voorzover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°,van het Wetboek van Strafvordering mocht betreffen, slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen."
3.4 In de toelichting op het middel wordt gesteld dat bewijsmiddel 1, waaruit volgt dat verdachte vergeten was dat hij de sweater bij zich had toen hij de winkel verliet, in strijd is met het bewezenverklaarde oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening.
3.5 Met de steller van het middel ben ik het eens dat de voor het bewijs gebezigde verklaring van verdachte "Ik was dat truitje helemaal vergeten" niet strookt met de bewezenverklaring en als niet-redengevend ten onrechte in het bewijsmiddel is opgenomen.(2) Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, omdat dit onderdeel bezien in het licht van de bewijsvoering in haar geheel van ondergeschikte betekenis is en aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring niet in de weg staat.(3) Vooropgesteld kan worden dat een verklaring zoals verdachte die heeft gegeven reeds op zichzelf niet erg aannemelijk is. Daarnaast blijkt uit de overige bewijsmiddelen dat het Hof bewijsmiddel 1 enkel heeft gebruikt om vast te stellen dat verdachte in de [A] aanwezig was, vervolgens met een sweater zonder deze te betalen het pand heeft verlaten en hierna is aangesproken door een beveiligingsbeambte. Uit bewijsmiddel 2 blijkt immers dat verdachte, toen hij door de beveiligingsbeambte werd aangesproken, niet mee terug de winkel in wilde (ook bewijsmiddel 3), agressief reageerde en heeft getracht de sweater aan een van zijn vrienden te geven, hetgeen er zeker niet op duidt dat verdachte, diep in gedachten verzonken, bij het verlaten van de winkel de sweater was vergeten en zich van geen kwaad bewust was.
Indien de bewijsconstructie met deze welwillendheid wordt gelezen, is het middel vruchteloos voorgesteld.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met 09/02241 ([medeverdachte 1]) en 09/02242 J ([medeverdachte 2]) waarin ik vandaag ook concludeer.
2 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, p. 247.
3 Vgl. HR 4 juni 2002, NJ 2002, 603, m.nt. Mevis, HR 25 april 2006, LJN AV6192 en HR 23 september 2008, LJN BD3902.